PROGRAMMA'S VERGELEKEN; WERKGELEGENHEID

Vandaag over een week kiest Nederland een nieuwe Tweede Kamer. De verkiezingscampagne ging tot nu toe vooral over betrouwbaarheid van lijsttrekkers en coalitievorming na 3 mei. Uit een peiling van de stemming in dertig dorpen en stadswijken, afgelopen zaterdag in NRC Handelsblad, is gebleken dat de kiezers zich wel degelijk interesseren voor 'kwesties' en veel minder voor 'mannetjes'. De overeenkomsten tussen de verschillende partijprogramma's zijn groot. Maar verschillen zijn er ook. Een overzicht van de opvattingen van de vijf grote partijen over belangrijke thema's.

CDA

Het verschil tussen de loonkosten en het bruto-loon (de zogeheten wig) moet worden verkleind door de premies te verlagen. Het inkomen uit arbeid moet door verhoging van het arbeidskostenforfait minder worden belast, om zo het verschil tussen loon en uitkering te vergroten. Een werkloze die zich niet wil laten (bij)scholen of Nederlands wil leren, wordt op de uitkering gekort. De laagste CAO-lonen moeten worden verlaagd om relatief eenvoudige arbeidsplaatsen te scheppen. Loonkostenmatiging is gedurende een aantal jaren nodig. De inzet van werklozen bij maatschappelijk nuttig werk wordt bevorderd. Het leerlingstelsel in het beroepsonderwijs wordt met 20.000 plaatsen uitgebreid. Het Centraal Planbureau (CPB) schat dat het CDA in 1998 120.000 nieuwe banen zal hebben geschapen en in 2002 180.000.

PvdA

Milieu- en energieheffingen moeten de overheid meer belasting opbrengen, terwijl de belasting op arbeid (inkomstenbelasting) juist omlaag moet. Dat verlaagt de loonkosten en verhoogt de prijs van milieuvervuiling en grondstoffenverbruik. De belasting- en premiedruk verschuift voor een deel van lage en modale inkomens naar hogere inkomens door verhoging van het maximale bedrag waarover premies worden geheven. De belastingvrije som en het arbeidskostenforfait moeten een voor iedere werkende gelijk deel van het inkomen opleveren. Een meerjarige afspraak met werkgevers en werknemers is nodig om lastenverlichting te vertalen in geringere loon(kosten)stijging. Via taakafsplitsing komen er banen voor minder geschoolden. De arbeidstijd wordt verkort, met een werkweek van 32 uur als oriëntatiepunt. Bedrijfstijden worden verruimd. Arbeidsintensieve diensten komen onder het lage btw-tarief te vallen. Er komen 25.000 arbeidsplaatsen voor de veiligheid op straat en in de maatschappelijke dienstverlening. Volgens de doorrekening van het CPB komt de PvdA uit op bijna 100.000 banen meer in 1998, en bijna 120.000 in 2002

VVD

Het verschil tussen lonen en uitkeringen moet groter worden, evenals de onderlinge verschillen tussen lonen. De kosten van laaggeschoolde arbeid moet omlaag. De progressie in de belasting gaat omlaag. Er wordt meer geïnvesteerd in kwaliteit van de economie (technologie en innovatie). Twintigduizend arbeidsplaatsen komen er voor de veiligheid: conducteurs, hulpagenten, toezichthouders, bij voorkeur werklozen of gedeeltelijk arbeidsongeschikten. Geld uit de uitkeringen wordt hiervoor gebruikt. Loonmatiging is noodzakelijk. De maatregelen van de VVD (inclusief ingrepen in de sociale zekerheid) leveren volgens het CPB in 1998 125.000 banen extra op en in 2002 230.000.

D66

Ambachtelijke en arbeidsintensieve diensten worden onder het lage btw-tarief gebracht. Loonmatiging blijft van groot belang. De arbeidskosten moeten drastisch omlaag door belastingen en premies op lonen te beperken. Lasten op arbeid verschuiven naar lasten op milieuvervuilende consumptie en produktie, door milieu- en energieheffingen. Lastenverlichting wordt gericht op laagopgeleiden en laag gekwalificeerd werk. Werklozen laten zich scholen op straffe van een lagere uitkering. Bedrijfstijdverlenging is noodzakelijk, de vrije zaterdag moet kritisch worden heroverwogen. Tijdelijk extra werkgelegenheid komt er door verrichten van achterstallig onderhoud aan monumenten, wegen, rioleringen en natuurbeheer. D66 komt met zijn programma volgens het CPB in 1998 uit op ruim 80.000 banen meer, oplopend tot bijna 130.000 in 2002.

GroenLinks

Herverdeling van betaalde arbeid is onontbeerlijk: in 1998 komt er een 32-urige werkweek en deze arbeidsduur moet op termijn verder omlaag. Werkgevers worden verplicht vacatures bij de arbeidsbureaus te melden. Wie geen betaalde baan heeft, sluit met de overheid een contract met inkomensgarantie en verplicht zich een taak op zich te nemen, bijvoorbeeld in de zorg of bij het onderhoud, of om een studie te volgen. Werklozen moeten passende arbeid aanvaarden. Het werkgelegenheidseffect van de voorstellen van GroenLinks is volgens het CPB 85.000 banen extra in 1998 en daarna nog een lichte stijging.