Optimisme in superverkiezingsjaar

Minister Waigel, schatkistbewaarder in Bonn en voorzitter van de Beierse CSU, is zaterdag in Washington een weddenschap aangegaan met IMF-directeur Camdessus. Waigel vindt Camdessus' Internationaal Monetair Fonds te somber met zijn groeiprognose van 0,8 procent voor de Duitse economie in 1994. Hij wedt dat het 1,5 procent wordt.

Volgens Waigel, zo meldt het de CDU/CSU tamelijk welgezinde dagblad Die Welt, is niet alleen het dieptepunt voorbij van de zwaarste na-oorlogse Westduitse recessie, maar onderschat het IMF vooral de dynamiek van de nu echt begonnen opbloei in Oost-Duitsland. Daar kan de groei dit jaar in de dubbele cijfers komen, gelooft Waigel, die voor het gemak dus een paar procent extra neemt in vergelijking met prognoses van de Bundesbank en grote economische instituten, die juist vandaag eem groei van 1 procent in West-Duitsland en 7 à 8 procent in de vroegere DDR voorzien.

Een procent meer of minder groei van de Oostduitse economie maakt trouwens niet zóveel uit, want die is immers nog maar 6 procent van het Duitse totaal. Maar Waigels optimistische weddenschap zal ook wat te maken hebben met het op gang geraakte Duitse superverkiezingsjaar, dat onder meer verkiezingen voor de Beierse landdag en de Bondsdag brengt. Dat perspectief nodigt uit tot afronden naar boven. Dat zal ook gelden voor kanselier en CDU-voorzitter Kohl, die vorige week over een 'conjuncturele lente' sprak en voorzag dat de 'bloeiende landschappen' die hij de Oostduitsers in 1990 beloofde nu toch werkelijk komen. Feit is dat Kohl en zijn CDU voor het eerst sinds begin 1992 in de opiniepeilingen inlopen op de SPD. “Het gaat bergopwaarts”, schreef de licht naar de SPD neigende Süddeutsche Zeitung zaterdag, en gaf als voorbeeld dat de industriële produktie vooral dankzij buitenlandse orders in februari groter was dan een jaar daarvoor, terwijl rente en inflatie blijven dalen. Uit het bedrijfsleven, de auto-industrie bijvoorbeeld, komen bovendien optimistische geluiden die nog niet in de statistieken zijn verwerkt. De CAO-matiging in grote sectoren als chemie, metaal en overheid moet haar effect nog grotendeels krijgen. Goed voor de export, minder goed voor de binnenlandse bestedingen, maar per saldo positief in een consensus-land dat zichzelf min of meer van de markt had geprijsd en bovendien zware lasten moet dragen (160 miljard mark 's jaars) voor de opbouw van de vroegere DDR.

Nu weten Kohl en Waigel ook wel dat zij in '94 inzake de werkgelegenheid nog weinig moois te melden zullen hebben. De cijfers - 4 miljoen werklozen en 2 tot 2,5 miljoen mensen die in overheidsprogramma's, via vervroegde uittreding of door niet-aanmelding bij arbeidsbureaus statistisch 'geschoond' zijn - zullen eerder slechter dan beter worden. Pas in '95 mag banengroei worden verwacht. Sterker nog: de Duitse industrie zal haar internationale concurrentiepositie alleen herwinnen als zij verder afslankt, kosten drukt en qua produktiviteit dichter in de buurt komt van Japan en de VS. Dat wil zeggen: als zij een achterstand van zo'n 30 procent goedmaakt door kosteneffectiever te produceren. En als zij niet meer driekwart van haar export afzet in het traag groeiende West-Europa maar ook elders (in Azië bijvoorbeeld) een stuk van de markt verovert.

In zekere zin bieden bespiegelingen over de Duitse conjunctuur en ook electoraal interessante weddenschappen over haar ontwikkeling weinig meer dan een blik op het bijveld dat voor velen op het hoofdveld lijkt. Want in feite is de structurele crisis van Europa's grootste economie veel belangrijker. Belangrijker voor heel Europa, dus ook dat van 'Maastricht'. Want als de Duitsers de modernisering van hun over-gereguleerde en te weinig innovatieve economie niet tijdig voor elkaar krijgen, als zij het accent op hun oude, soms zwaar gesubsidieerde kolen- en staalindustrie niet weten te verschuiven ten gunste van concurrerende high tech export en - via meer privatisering - grotere interne competitie, krijgt de Europese Unie het nog dramatisch moeilijk in de wereld. Zo'n economische revival van de Bondsrepubliek, geïntegreerd in West-Europa en Atlantis maar met grote verplichtingen in Oost-Europa, is ook van eminent politiek belang voor Bonn én Maastricht.

Kohl c.s. lijken dat langzamerhand wel te zien, meer dan Scharpings SPD, die het in haar verkiezingsprogramma zoekt in op zich moedig-prijzenswaardige (en noodzakelijke) inkomens- en uitgavenmatiging. Maar Kohl c.s. juichen over de totstandkoming van de collectieve verzekering van de bejaardenzorg. Zij beheren een economie waarin 52 procent van het nationaal inkomen in de collectieve sector blijft (Japan: 30 procent). Ze moeten eerst proberen aan democratische eisen te voldoen (verkiezingen winnen) voor ze aan dergelijke economische imperatieven toe kunnen komen. Zogezien is hun economiche recessie ook een crisis van een (ons) politiek model, dat toch het minst slechte is.

Het Oosteuropese communisme is, onder meer, bezweken aan het onvermogen om de produktie te organiseren. De winnende 'vrije' Westeuropese welvaartsstaten tobben met hun arbeidsmarkten. Ze moeten veranderen wil hun vrijheid en hun rol in de wereld wat betekenen, ook voor hun burgers. Duitsland moet daarbij het voortouw nemen, ook en vooral op dit gebied. Zelfs als de buren argwanend toezien. Misschien ook wel juist daarom.