Op het kerkhof

Vorige herfst vertelde Frits van Beusekom dat hij bezig was met een flora van Arnhem en omstreken, een gebied van tien bij twintig kilometer en er viel, zei hij, nog het meest te beleven op de begraafplaatsen. Hij zou het me weleens laten zien.

Dus op excursie naar onze overleden medemens. We troffen precies die ene lentedag, één en al zon en zang, licht en kleur, warmte en geur. Begraafplaatsen van Rheden tot Schaarsbergen, in de heuvels, op de hei, in het bos. Paden langs oude stenen en nieuwe stenen, namen, jaartallen, bijbelteksten.

Op Heiderust: 'Zo'n pretentieloos gazonnetje met hier en daar een klein kruidje, muizeoor of zo, en de bronzen gloed van veldbies - zelfs dat wordt al iets bijzonders.'

Steeds op de hurken en dan een zoekende hand in de vegetatie. Zandpaardebloem. Winterpostelein. Hondsviooltje. Mannetjes-ereprijs. Gevlekt havikskruid. Gewone eikvaren. Grote wolfsklauw. Klein wintergroen. Blauwe knoop. Rozenkransje. Zacht vetkruid. Vleugeltjesbloem...

En als een litanie: vroeger algemeen, heel algemeen, maar verzuringsgevoelig, heel verzuringsgevoelig, nu zeldzaam, heel zeldzaam, dit is een van de laatste vindplaatsen, of: buiten deze begraafplaats heb ik het nergens meer aangetroffen.

Frits vertelde dat hij een lezing hield over dit onderwerp en dat iemand zei: is het niet frappant dat die uitstervende planten zo spontaan de weg naar het kerkhof weten te vinden?

    • Koos van Zomeren