Nieuw arbeidsbestel

De 'nieuwe werknemer' bestaat natuurlijk niet, maar toch moet worden geconstateerd dat steeds grotere groepen werknemers een aantal eigenschappen gemeen hebben, die hen duidelijk onderscheiden van een vroegere generatie.

De 'nieuwe werknemer' is de werknemer (m/v) van wie een grote inzet en inzetbaarheid wordt verlangd en die ook in andere opzichten voldoet aan de hoge eisen van flexibiliteit. Hij is relatief hoog gekwalificeerd en stelt hoge eisen aan de inhoud van arbeid. Hij vindt werk belangrijk, maar ook andere activiteiten, zoals zorgtaken thuis, en beschouwt de arbeidsrelatie als een ruilrelatie. Kortom, hij is de drager van de twee belangrijkste ontwikkelingen in het arbeidsbestel van vandaag: flexibilisering en individualisering. In het SMO-boek Vernieuwingen in het arbeidsbestel (uitgave Stichting Maatschappij en Onderneming) onderzoeken dr. W.A.M. de Lange en mr. C.M.E.P. van Lent hoe deze ontwikkelingen doorwerken in de arbeidsverhoudingen.

Gezien de vaak strijdige belangen van werkgevers en werknemers is het naar hun mening nodig naar een evenwichtige verdeling van voor- en nadelen te zoeken. Ze spreken over de uitdaging van het creëren van win-win situaties: zodanige structurering van de organisaties dat flexibilisering en individualisering elkaar versterken en beide partijen het gevoel hebben er op vooruit te gaan. Aan de hand van praktijkgevallen hebben de auteurs nagegaan op welke wijze deze win-win-situaties tot stand kunnen worden gebracht.

Door flexibilisering van arbeid kunnen verschillen tussen werknemers groter worden. Binnen arbeidsorganisaties kunnen drie categorieën werknemers worden onderscheiden. In de kern bevinden zich medewerkers die een sleutelpositie bekleden. Ze hebben een grote loyaliteit ten opzichte van hun werkgever, zijn uit zichzelf bereid zich flexibel op te stellen en waar nodig het werk te laten prevaleren boven de privésituatie. Deze houding wordt beloond met een grote werk- en inkomenszekerheid.

Rondom deze kern bevindt zich een stabiele 'schil' van medewerkers met eveneens een relatief grote werk- en inkomenszekerheid en veelal ook een grote loyaliteit. Verantwoordelijkheid en autonomie spelen bij deze functies een veel kleinere rol, wat samenhangt met een lagere kwalificatie. Van hen wordt verlangd dat zij zich flexibeler gaan gedragen. In de buitenste 'schil' bevinden zich de medewerkers die geen vast dienstverband hebben en daardoor ook een geringere inkomens- en werkzekerheid. Je kunt zeggen dat deze medewerkers flexibel genoeg zijn.

De schrijvers kennen veel gewicht toe aan de in het najaar van 1993 tot stand gekomen akkoorden in de Stichting van de Arbeid waarin gemeenschappelijke visies op de wenselijke ontwikkeling van het arbeidsbestel werden verwoord. Naar hun mening hebben deze akkoorden een klimaat geschapen waarin nieuwe werknemers en flexibilisering en individualisering kansen krijgen om tot wasdom te komen. Dit wil niet zeggen dat zich geen spanningen voordoen. Zo verzet de vakbeweging zich tegen bepaalde vormen van flexibilisering. Haar houding is zeker soepeler geworden. Ze wijst flexibilisering niet meer ter ten principale af, zoals tot voor kort nog het geval was. Daar heeft zij moeite met toenemende onzekerheid van de werknemers over hun baan, inkomen, sociale zekerheid, werk en werktijden. De ontwikkelingen dreigen de vakbeweging uit de hand te lopen. Door de fundamentele veranderingen in de maatschappij is haar positie in het geding gekomen. In het besef van het belang van een gezonde economie blijkt zij toch bereid te zijn vergaand met de werkgevers mee te denken.

De Lange en Van Lent kennen bij de ontwikkeling van het nieuwe arbeidsbestel een sleutelrol toe aan de sociale partners. Logischerwijze verwerpen zij daarom het idee (vooral van neo-klassieke economen) om de algemeen verbindend verklaring van cao's af te schaffen. Zij zien de cao als het instrument bij uitstek om de arbeidsrelaties in sectoren te reguleren. Daarmee dient dan de hele branche te kunnen worden bestreken. Dit is alleen maar mogelijk door middel van algemeen verbindendverklaring.

    • A.F. van Zweeden