Marten Toonder: een heer van stand vertelt......

Een heer vertelt..., Ned.3, 20.52-21.42u.

Marten Toonder belandde, na de dood van zijn vrouw Phiny, in een depressieve periode. Degene voor wie hij altijd had geschreven, was er niet meer. Maar hij klom weer uit het dal, in het besef dat treuren geen medelijden is met de overledene, maar medelijden met jezelf. En nu, als bijna 82-jarige, kijkt hij weer het liefst vooruit. Eigenlijk, zegt hij in een mondelinge toelichting bij het programma Een heer vertelt..., heeft hij er niet eens zin meer in om zich ten behoeve van deel drie van zijn autobiografie nog weer in de naoorlogse jaren te moeten verdiepen. Liever wijdt hij zich aan de toekomst. Wat men nu zegt en voelt, is immers over een week alweer verjaard - nu ja, verwéékt.

Programma's over Marten Toonder waren er al eerder. Ik herinner me een filmpje (van de VPRO?) waarin de landschappen uit zijn Bommel-strip als twee druppels water bleken te lijken op die in de Ierse natuur. “Het was het land dat ik altijd getekend had,” zegt hij nu, terugkijkend op zijn eerste ontmoeting met Ierland. Robin Lutz en Gerrit Visscher, regisseur en producent van Een heer vertelt..., voegen niet veel toe aan wat al eerder over Toonder was gemaakt. Hooguit is de man die zichzelf het liefst als “verhalenverteller” beschouwt, nog wat beschouwelijker geworden. Het programma valt in tweeen uiteen: eerst de feitelijke beschrijving van leven en werk, verteld in een gerieflijke fauteuil bij de open haard in Greystones en daarna de mystieke verhalen over Ierland, de druïden en de Kelten die zo'n diepe indruk op Toonder hebben gemaakt. Dat laatste deel begint na verloop van tijd, met zijn bomen, bladeren en bergstroompjes, af te dwalen naar een natuurfilm over Ierland. Net op tijd gaat het tenslotte toch weer over Marten Toonder zelf.

Lutz en Visscher zijn in de film alleen de aandachtige luisteraars die zich tot taak hebben gesteld een programma in de geest van Toonder te maken. Dat blijkt niet alleen uit de Ierse landschappen die ze bij 's mans woorden hebben gezocht, maar ook als - met kennelijke tegenzin - de oorlog te berde wordt gebracht. Vorig jaar ontstond enig publicitair gekrakeel over de vraag of Toonder zich al of niet bij de Kultuurkamer had aangemeld. Hij legt het hier nog één keer uit (“een vervelend onderwerp, hoor”): hij was aangesloten bij de verplichte journalistenkring die hem vervolgens bij de Kultuurkamer registreerde. Om er voor eens en altijd een punt achter te zetten, laten de filmmakers meteen daarna de oorkonde zien van het aan Marten Toonder uitgereikte Verzetsherdenkingskruis. Over het schemergebied tussen goed en fout, in het tweede deel van zijn autobiografie zo beeldend beschreven, komt hij verder niet meer te spreken.

Wel vertelt Toonder voor het eerst hoe hij na de oorlog, toen zijn strip in de Volkskrant verscheen, door hoofdredacteur Lücker werd beknord over de kwaliteit van de verhalen. Ze waren pet, zei Lücker. “Dat was een schok die ik erg nodig had. Ik had altijd succes gehad met dat ding. Maar hij had gelijk: de inspiratie ontbrak, het was allemaal verzonnen werk.” Vanaf dat moment heeft Toonder naar zijn zeggen vertrouwd op “het gevoel en de beweging in mijzelf”. En zo is het tot op de dag van vandaag gebleven.

    • Henk van Gelder