Koninklijke PTT Nederland wil met kortingkaart particuliere belegger trekken; Jacht geopend op volkskapitalisten

ROTTERDAM, 26 APRIL. Voor de derde grote Nederlandse privatisering in vijf jaar kiest de verkopende overheid voor het eerst voor een beproefd buitenlands recept: een korting voor particuliere beleggers op hun aandelen Koninklijke PTT Nederland (KPN). Met deze korting (van ongeveer vijf procent voor maximaal 75 aandelen) en een ongekend publiciteitsoffensief moeten de overheid, KPN en de banken die de aandelen slijten een huzarenstukje uithalen. Zij moeten de particuliere beleggersmarkt weid openbreken en een sfeer van volkskapitalisme creëren die ongekend is in Nederland.

Een korting bij een privatisering is een Britse uitvinding. Groot-Brittannië heeft voor tientallen miljarden staatbedrijven verkocht. De Nederlandse staat heeft dan ook een eigen adviseur in de arm genomen, de Britse zakenbank N. M. Rothschild, die als weinig anderen ervaring heeft met de verkoop van staatsbezit.

Een korting is nieuw voor Nederland, zoals ook het hele idee van volkskapitalisme nieuw is. In tegenstelling tot Groot-Brittannië heeft de Nederlandse overheid aandelenbezit onder kleine beleggers nooit gestimuleerd.

Het chemiebedrijf DSM en de Postbank, twee staatsbedrijven die in 1989 werden geprivatiseerd, gingen tegen een vaste prijs voor alle beleggers van de hand. KPN is van apart kaliber: met een waarde van circa 7,5 miljard gulden (een derde van de totale waarde van KPN) is de transactie groter dan die van DSM en Postbank bij elkaar. De overheid en de banken nemen geen risico. Een korting levert de beste verkoopresultaten op, heeft de Britse ervaring geleerd.

Deze voorkeursbehandeling moet de particuliere belegger massaal naar zijn bank of Postkantoor lokken. Hoeveel aandelen particulieren zullen krijgen is nog een open zaak, zeggen de overheid en de staat in koor. Zij houden alle opties open. Hoe minder de belegger weet, hoe groter de kans dat hij voluit gaat om een slaatje te slaan uit deze privatisering. “Het gaat om het creëren van de perceptie van schaarste”, zoals dat onder bankiers heet.

De staat verkoopt ongeveer een derde van KPN. Dat komt neer op 150 miljoen aandelen. Daarvoor zijn drie groepen gegadigden: Nederlandse particuliere en institutionele beleggers (pensioenfondsen en verzekeraars) en buitenlanders. In die laatste categorie zitten Britse en Amerikaanse beleggers.

Elke beleggersgroep heeft zijn specifieke kenmerken, zo weten door de wol geverfde bankiers. Het merendeel van de Nederlandse instituten staat er bijvoorbeeld bekend om dat zij de kat uit de boom kijken. Zij mogen KPN echter niet missen: daarvoor is het concern gewoon veel te groot. Op hun beurt volgen buitenlanders met argusogen de animo op de thuismarkt.

De banken beginnen in de tweede helft van mei met het peilen van de belangstelling en de prijsvoorkeur onder de professionele beleggers. Die kennen de voorkeursbehandeling voor particulieren en mogen zich de kaas niet van het brood laten eten. De ervaring leert dat particuliere beleggers bij een grote aandelenplaatsing hollen of stilstaan: zij reageren massaal of helemaal niet.

Bij de eerste verkoop van DSM deden in 1989 100.000 beleggers mee; de verkoop van DAF (geen privatisering, inmiddels failliet) trok datzelfde jaar nog wat meer belangstellenden. Over het aantal actieve beleggers in Nederland ontbreekt betrouwbaar cijfermateriaal, maar het zijn er niet meer dan een paar honderdduizend. De vuistregel bij een geslaagde privatisering is dat particulieren 40 procent tot de helft voor hun rekening nemen. Bij een score van 40 procent en gemiddeld 75 aandelen (tegenwaarde: 3500 gulden) per particuliere belegger, moeten nu 800.000 volkskapitalisten verleid worden. Vandaar dat de overheid KPN als een stabiele, bijna saaie onderneming aanprijst die als belegging veel weg heeft van de alom bekende spaarrekening.

    • Menno Tamminga