Deutsche Bank voelt zich slachtoffer van Schneider

BONN, 26 APRIL. De Deutsche Bank ziet zichzelf als slachtoffer van Jürgen Schneider, de voortvluchtige onroerend-goedmagnaat die de Duitse banken bij kredietaanvragen jarenlang “met opzet en systematisch” heeft bedrogen. Dit heeft Hilmar Kopper, bestuursvoorzitter van de Deutsche Bank, gisteren in Frankfurt gezegd.

Op een door zijn bank georganiseerde persconferentie noemde Kopper de door het Schneider-debâcle veroorzaakte financiële schade “peanuts”. Tot juni 1992 had de Deutsche Bank de Schneider-bedrijven circa 1,2 miljard mark kredieten tegen onderpand van onroerend goed verstrekt. “Dat is maar drie promille van onze totale jaarlijkse kredietomzet”, aldus Kopper, die zei dat de grootste Duitse bank rekening houdt met een uiteindelijke Schneider-strop van “enkele honderden miljoenen”. Veel groter noemde hij de schade aan de naam van de bank, ook in het buitenland, en de financiële reputatie van Duitsland zelf. In dat verband verweet hij de media de Schneider-zaak te hebben “opgeblazen”.

Dat de Deutsche Bank sinds juni '92 geen nieuwe kredieten aan Schneider heeft verleend had niet te maken met wantrouwen maar met het feit dat zij toen “het gevoel had niet meer te moeten doen”. Pas na ontvangst van zijn afscheidsbrief op 7 april '94 (toen de Schneider-bedrijven voor ruim 6,5 miljard bij een groep van 50 banken in het krijt stonden) had de Deutsche Bank begrepen dat het mis was. “Maar toen was het te laat”, ook om nog een greep te krijgen op de “minstens 219 miljoen” die Schneider in maart van zijn persoonlijke bankrekeningen had opgenomen. Op die rekeningen had hij begin 1994 nog 580 miljoen gehad.

Kopper kan zich overigens “niet voorstellen dat Schneider zijn bedrog geheel alleen organiseerde”. “Heel duidelijk” is dat hij met geflatteerde schattingen van beëdigde taxateurs van zijn onroerend goed werkte en “manipuleerde” bij de opgaaf van verwachte huuropbrengsten.

Drie van de acht onroerend-goedprojecten die de Deutsche Bank voor Schneider financierde zijn nog niet klaar (het beurscentrum in Frankfurt, het hotel Rose in Wiesbaden en het Lenbachpaleis in München). De bank zal die projecten laten afmaken en rekeningen van bouwbedrijven - “minder dan 50 miljoen” - betalen. Kopper zei te hopen dat andere banken net zo zullen handelen. Hij herhaalde dat er personele consequenties zullen volgen als er “werkelijk fouten zijn gemaakt”. Behalve een intern onderzoek en een onderzoek dat de bank aan een externe deskundige heeft opgedragen controleert het overheidskrediettoezicht nu bij alle banken die Schneider kredieten gaven.

    • J.M. Bik