Deeltijdarbeid

Helaas suggereert het grafiekje met toelichting onder de kop 'Werken voor uitkeringen' (NRC Handelsblad, 14 april) meer exactheid dan in werkelijkheid geboden wordt.

Verhuld wordt dat uitkeringsgerechtigden en werkenden niet op dezelfde wijze geteld worden. Het Centraal Planbureau gaat bij de werkenden uit van arbeidsjaren. Dat betekent dat alle deeltijders naar rato meetellen. Bij het tellen van uitkeringsgerechtigden gebeurt dit niet. Om een paar voorbeelden te noemen: iemand die werkloos of arbeidsongeschikt is geworden na een deeltijdbaan is in de statistiek een gehele inactieve, terwijl die voorheen slechts gedeeltelijk als actief te boek stond. Dat geldt ook voor zieke deeltijders, een van de redenen waarom het ziekteverzuim van vrouwen in de statistiek hoger is dan dat van mannen. Eind 1991 publiceerde de Sociale Verzekeringsraad een tentatieve berekening waarin men probeerde na te gaan in hoeverre het toegenomen ziekteverzuim voor rekening kwam van de toename van het deeltijdwerk. Antwoord: meer dan geheel, oftewel in werkelijkheid een daling van het ziekteverzuim. De bewindspersonen van Sociale Zaken reageerden geprikkeld: die nieuwe berekening wees in de richting van een niet ongunstiger worden van de I/A ratio toentertijd.

Het wordt tijd, zeker gezien de toename van deeltijdwerk, dat nauwkeuriger tellingen als norm worden genomen en dat niet langer appels en peren worden vergeleken. Anders leidt de toename van deeltijdwerk niet, zoals de leek - terecht - zou denken tot een groter, maar juist tot een kleiner aantal inactieven.

    • Leontine Bijleveld