De Spaanse strijdkrachten zijn een belegerd bastion

Het Spaanse leger verkeert traditioneel in onmin met de rest van de samenleving. Dat vertaalt zich tegenwoordig in grootscheepse pogingen om de dienst te ontlopen. Maar is Spanje vandaag niet meer gebaat bij een beroepsleger, zo vragen velen zich af.

MADRID, 26 APRIL. Het Spaanse leger wordt steeds leger. Jonge Spanjaarden ontduiken zo massaal de dienstplicht dat een tekort aan militairen dreigt te ontstaan. Om de legermacht op de huidige sterkte van 200.000 man (van wie 133.000 dienstplichtigen) te houden houden heeft de regering van Felipe González een aantal maatregelen aangekondigd. Een kortere werkdag, toestemming om thuis te overnachten en financiële toeslagen voor zwaardere opleidingen moeten de dienst aantrekkelijker maken. Bovendien is er een voorstel om een beroep op vervangende dienstplicht alleen nog toe te staan bij minderjarigen.

De maatregelen zijn met scepsis ontvangen. Veel Spanjaarden geloven dat een kleiner, modern beroepsleger meer perspectieven biedt dan vasthouden aan de huidige organisatie, die nog steeds het stempel draagt van het voorbije Franco-tijdperk.

Voorlopig lijkt niets de vlucht uit het leger te kunnen stoppen. Het afgelopen jaar steeg het aantal gewetensbezwaarden onder de jongeren explosief tot ongeveer 70.000. En volgens de eerste cijfers van dit jaar zet die trend zich door. Alleen al in het eerste kwartaal dienden 25.000 dienstplichtigen een verzoek tot vervangende dienstplicht in. Daarmee tracht zeker de helft van de opgeroepen jongeren onder de gehate mili uit te komen.

Een van hen is de student Fernando Heredia (23). “De staat heeft niets van je te eisen”, meent Fernando beslist, “Vooral die verplichting om iets te doen wat je niet wilt, staat me tegen.” Hij loopt het rijtje bezwaren af. Een pacifist wil hij zich niet noemen, maar “doden voor een zaak die door de politici is besloten” lijkt hem verwerpelijk. Het leger is “uiteindelijk geen oplossing bij conflicten”, vindt Fernando, en bovendien “staat het gebrek aan geestelijke vrijheid in dienst op gespannen voet met de grondwet”.

In de kazerne waar hij begin deze maand het meldingsformulier kwam inleveren wachtte hem aanvankelijk een kleine teleurstelling. Hij moest zijn zorgvuldig overdachte argumenten samenvatten in een paar regels. De Spaanse wet erkent slechts vijf gronden van bezwaar: was hier nu sprake van een religieus, ethisch, moreel, humanitair of filosofisch gewetensbezwaar? Ethisch, zo werd in onderling overleg besloten. Het meisje achter de balie schreef het er met dikke letters bij op het formulier. “Je hoeft eigenlijk maar een van die woorden in te vullen en dat is voldoende”, lacht Fernando.

Een beroep op de wetgeving voor gewetensbezwaarden is in Spanje een routinekwestie geworden. De administratieve verwerking kraakt in zijn voegen onder de geweldige toestroom van weigeraars. En veel instanties die een vervangende dienstplicht bieden - de gezondheidszorg, hulpverlening aan ouderen en minder validen, plantsoenendiensten - bieden op korte termijn onvoldoende plaats om het aanbod op te vangen.

Het Spaanse leger kent een lange traditie van geringe populariteit en terugkerende onmin met een belangrijk deel van de samenleving. Al in de vorige eeuw had het leger al de naam van een reactionair bolwerk, waar de pijnlijke nederlagen bij het verdedigen van de landsbelangen werden gecompenseerd met een voortdurende inmenging in de binnenlandse politiek. De dictaturen van José Antonio Primo de Rivera (1923-'31) en Franco (1939-'75) en de mislukte “operettecoup” van 1981, toen de kolonel Tejero zich met een pistool in het parlement vertoonde, hebben dat imago er niet beter op gemaakt.

Inmiddels lijkt het leger de democratie te steunen, maar de situatie binnen de kazernes zorgt op gezette tijden nog voor opschudding. De meest recente rel was de desertie, eerder dit jaar, van achttien commando-recruten uit een trainingskamp op Mallorca. De vrijwilligers waren het kamp ontvlucht nadat zij volgens eigen zeggen door officieren waren mishandeld tijdens wrede initiatie-rites die weinig met de militaire tucht van doen hadden. Afgezien van dit soort incidenten heeft de dienstplicht van negen maanden vooral de naam van nutteloze tijdverspilling die bovendien nog eens slecht betaald wordt. De soldij van een dienstplichtige bedraagt 1.500 peseta's (21 gulden) per maand.

De nu voorgestelde regeringsmaatregelen om de dienstplicht te verlichten zijn daarom met weinig enthousiasme door de jeugd onthaald. Pedro Calvo, president van de rechtse jongerenbeweging Nuevas Generaciones (student, gewetensbezwaarde): “Het is belachelijk. De hervormingen zijn totaal nutteloos en geeft ons alleen maar gelijk als we zeggen dat de dienstplicht geen zin heeft.” Aniceto Setien, algemeen secretaris van de communistische jongeren (vrijgesteld van dienstplicht): “Grote onzin. Een tactiek van de regering om het aantal weigeraars terug te dringen in plaats iets te verbeteren aan de levensomstandigheden van de recruten.”

De jonge socialisten toonden zich nog het meest enthousiast. Juan Bouza, algemeen secretaris (afgekeurd wegens bijziendheid): “Een stap in de goede richting. Maar het is nodig de huidige dienstplicht flexibeler en nuttiger te maken.”

Eensgezind verklaren de jongerenbewegingen zich voorstander van de invoering van een beroepsleger. Als oplossing voor het dreigend recrutentekort wint de professionalisering van het leger ook elders terrein in de discussie, waarbij met een schuin oog wordt gekeken naar de Nederlandse ontwikkelingen. Op dit moment bestaat de Spaanse legermacht voor eenderde uit vrijwillige beroepssoldaten. Dat moet volgens de regering rond de eeuwwisseling meer dan de helft zijn.

In het publieke debat over het invoeren van een beroepsleger speelt de sluimerende angst voor het militaire apparaat als politieke factor slechts een ondergeschikte rol. Voorstanders zeggen vooral te geloven dat een klein beroepsleger doelmatiger is dan een groot leger met dienstplichtigen. Tegenstanders zeggen te vrezen dat een beroepsleger veel duurder is. Bovendien zal het volgens hen niets veranderen aan de praktijk dat alleen een slecht betaalde onderklasse als kanonnenvlees mag dienen.

Of de invoering van een beroepsleger de werkomstandigheden zullen verbeteren is overigens nog maar de vraag. Want anders dan hun Duitse en Nederlandse collega's, kennen de Spaanse beroepsmilitairen niet het recht zich te organiseren, laat staan een belangenorgansatie te vormen. Maar wat voor de mannen geldt, geldt nog niet voor hun vrouwen: vijf jaar geleden werd de vereniging van vrouwen van officieren opgericht die zich bezighoudt met de belangenbehartiging. “Aanleiding was een verschil in carrière-kansen en het volgen van opleidingen voor een bepaalde groep officieren”, zegt presidente Maria Rodriguez Rovirosa, wier man de rang van kapitein heeft. “In andere landen worden militairen toch meer gezien als burgers in uniform, maar hier is het grondwettelijke recht van vereniging opzij geschoven door de militaire wetten die nog dateren uit de tijd van het Franco-regime.”

Inmiddels zijn er zo'n 500 vrouwen lid van vereniging, maar van een officiële erkenning nog geenszins sprake. De sociaaldemocratische regeringspartij PSOE moet weinig van de vrouwen hebben en ook de rechtse oppositiepartij Partido Popular laat het afweten. Zelfs de Spaanse vakbonden bleken huiverig voor officiersvrouwen. “Zodra het over militairen gaat heerst in Spanje nog steeds een taboe”, concludeert Maria Rovirosa. Volgens haar wordt een organisatie van militairen enerzijds nog altijd geassocieerd met paramilitaire activiteiten, terwijl anderzijds nog altijd de angst bestaat om de legertop niet tegen het hoofd te stoten.

De vrouwenvereniging heeft zich inmiddels gewend tot Euromil, de Europese vereniging van vakverenigingen voor militairen, met een verzoek tot internationale steun. De Nederlandse luchtmachtkapitein Bauke Snoep, voorzitter van de Nederlandse vakorganisatie AFMP en bestuurslid van Euromil, heeft zich over de zaak ontfermd. “Het is gewoon schandalig dat men zich in Spanje niet organiseren kan”, meent Snoep. “Een belangenorgansatie wordt al snel verbonden met een vakbond en stakingen. Dat is een totaal verouderde opvatting die in Europees verband nauwelijks te handhaven valt.”

In de tweede helft van dit jaar zal Spanje toetreden tot het Eurocorps. “Daar zitten Duitse collega's en straks ook Belgen in die wel hun vakverenigingen voor beroepsmilitairen kennen. Je kunt dan als Spaanse overheid moeilijk blijven volharden in het afwijzen van dergelijke organisaties.”