Arbeid moet goedkoper worden, maar hoe?

Arbeid moet goedkoper worden en uitkeringsgerechtigden moeten aan het werk, goedschiks of kwaadschiks. Dat is de rode draad door de verkiezingsprogramma's van de vijf grote partijen als het gaat om werkloosheidsbestrijding, van GroenLinks tot en met de VVD.

Wat dat betreft kan de slogan waarvan de VVD haar programma heeft voorzien, 'Nederland moet weer aan de slag', als het Leitmotiv van de gezamenlijke politieke ambitie van alle partijen worden beschouwd.

De diagnose is dan ook allang bekend: met zijn hoge graad aan inactiviteit, de grote hoeveelheid mensen die van een uitkering leven, dreigt de Nederlandse economie de internationale concurrentieslag te verliezen. Al heeft geen partij de pretentie de patiënt de komende eeuw te kunnen genezen, laat staan de komende vier jaar, allemaal zetten ze in op het scheppen van banen en zien ze daarvoor een taak van de overheid. Blijkens de doorrekeningen die het CPB van de verkiezingsprogramma's heeft gemaakt, weet de VVD de meeste banen te scheppen in de komende kabinetsperiode, vooral dank zij de daling van de arbeidskosten. Maar omdat het aantal mensen dat zich op de arbeidsmarkt voor een baan zal melden, (schoolverlaters, werkzoekende huisvrouwen, voormalig arbeidsongeschikten, enz.), eveneens stijgt, wordt de werkgelegenheid ook bij uitvoering van het VVD-scenario allerminst opgelost. Het aantal werkzoekenden zonder baan komt volgens het CPB zonder nadere maatregelen in 1998 op 700.000 uit; uitvoering van het VVD programma verlaagt dit getal met 42.000.

Veel meer dan binnenlandspolitieke besluitvorming zullen de internationale ontwikkelingen bepalend zijn voor de groei van de economie en dus van de werkgelegenheid. Dat heeft partijen niet verhinderd om in exacte cijfers uitgedrukte doelstellingen in hun programma's op te nemen. De PvdA denkt 25.000 banen te scheppen in de veiligheid en de maatschappelijke zorg; de VVD doet het voor 20.000. Er is een omvangrijke markt op komst voor hulpconducteurs, huismeesters, beveiligingsfunctionarissen, zorgverleners, enzovoorts. “Maatschappelijk nuttig werk voor werklozen” in de woorden van het CDA en daarom moeten er taken worden gesplitst, loonschalen ingesteld die lager zijn dan de laagste CAO-lonen en zonodig wordt de uitkering gebruikt als (het grootste deel van) het salaris. De werkloze die ook dit soort banen niet aankan, moet zich laten (bij)scholen en anders gaat zijn uitkering maar omlaag, zo vertolkt D66 een vrij algemeen gevoelen in de politiek.

De werkgelegenheidsplannen zijn niet los te zien van de paragrafen die de partijen over sociale zekerheid in hun programma's hebben opgenomen. Met de vraag in hoeverre milieu als factor bij de belastingheffing een grotere rol moet spelen liggen daar de echte verschillen tussen de partijen. Kan arbeid alleen maar goedkoper worden door eerst de uitkeringen te verlagen (VVD) of kunnen de uitkeringen op peil blijven door het scheppen van meer arbeid (PvdA, D66)? Dat is de vraag. En in het verlengde daarvan: moeten de inkomensverschillen groter worden (VVD), gaat het vooral om een groter verschil tussen uitkeringen en lonen (CDA en D66) of moet er via fiscale maatregelen worden genivelleerd (PvdA) en gaan sommige uitkeringen zelfs omhoog (GroenLinks)? Deze klassieke politieke tegenstellingen spelen ook anno 1994 nog altijd een rol.

    • John Kroon