TSUTOMU HATA; De H2O-man

TOKIO, 25 APRIL. Japanse politici van de oppositionele LDP zijn zaterdag prompt in archieven gaan graven naar belastend materiaal over Tsutomu Hata (58), die vandaag door het parlement is gekozen tot 51ste premier van Japan. “We kunnen hem snel vloeren”, voorspelde een van hen, die de negen maanden oude machtsontzetting maar moeilijk kunnen verkroppen. Maar anderen gaven hen niet veel kans. De beminnelijke Hata heeft nooit een vlieg kwaad gedaan.

'H2O' - omdat ze niet stonken naar geld - werden ze destijds in de LDP genoemd: Hata, Hashimoto en Obuchi, de drie luitenanten rondom Kanemaru (nu eerloos verdachte), Takeshita (nu eenzaam parlementariër) en Ozawa (nu 'kingmaker' van de coalitie).

Hashimoto en Obuchi zitten nog vooraan in de LDP, de verweesde partij die de afgelopen weken weer drie afsplitsingen moest gedogen. Misschien kan zijn oude partij Hata het leven nog zuur maken, door de affaire rondom diens voorganger op te rakelen. Maar verder staat de LDP machteloos. Zelf tot op het bot verdeeld, kan ze alleen hopen dat de niet minder verdeelde socialisten, die de grootste regeringspartij vormen, de splijtzwam zullen zijn in Hata's kabinet.

Hata is de 'armste' Japanse premier in tien jaar. Uit cijfers die de politici sinds 1984 zelf moeten openbaren (en die daarom gemiddeld betrouwbaar zijn), blijkt dat zijn privé-kapitaal 170 miljoen yen (bijna drie miljoen gulden) groot is. De kandidaat-premier van de LDP, die het vandaag in het parlement van hem verloor, de overigens niet minder zachtaardige Yohei Kono, is met 12,4 miljard yen (200 miljoen gulden) de rijkste politicus van Japan.

Hata is vanaf zijn 33ste lid van het parlement. Drie keer was hij minister, twee keer in een LDP-kabinet. Van landbouw (“Japan kan geen Amerikaans rundvlees invoeren omdat de Japanse darmen korter zijn”), van financiën en van buitenlandse zaken. De laatste keer, onder Hosokawa, was hij tevens vice-premier. Zelfs als vooraanstaand politicus vond hij de tijd schoolkinderen uit zijn kiesdictrict in de provincie Nagano persoonlijk rond te leiden in het parlementsgebouw en hen te vertellen over de geschiedenis. “Jullie moeten goed Engels leren”, drukte hij hen dan op het hart, “om het land te helpen bij zijn wereldwijde verantwoordelijkheid”. Vragen van Amerikaanse verslaggevers beantwoordt hij zelf meestal met: “Sorry, I can't speak English”.

Hoewel de verdeelde socialisten garant staan voor een niet al te stevig kabinet, wacht Hata, tenzij de Noordkoreaanse kwestie escaleert, maar één flinke horde: de belastingen. De socialisten vinden daarbij, wellicht tot hun eigen verbazing, de Verenigde Staten aan hun zijde. Om Japan tot meer consumptie aan te sporen, bij voorkeur van Amerikaanse produkten, wil Amerika dat Japan de inkomstenbelasting blijvend verlaagt, niet slechts voor één jaar, en de btw niet tegelijkertijd verhoogt. Als de socialisten een kans ruiken om onder de afgesproken verhoging van de btw uit te komen, een impopulaire belasting die ze verfoeien, zullen ze dat zeker proberen.

De ongemakkelijke verhouding tussen de coalitiepartijen begint trouwens steeds meer te lijken op die tussen Japan en Amerika, met de socialisten in de rol van de eerste. De ene groep wil veranderingen, de andere stribbelt tegen, zich beroepend op interne problemen. Als een geboren middelaar mag Hata proberen de standpunten te verzoenen, zowel in zijn eigen kabinet als in de relatie met de ongeduldige VS.

Van hervormingen, hoewel ze weer netjes staan genoemd in het regeerakkoord, zal waarschijnlijk ook onder Hata niet veel terechtkomen. Daarvoor mist een Japans kabinet nog altijd het politieke primaat. Het wachten is op de nieuwe kieswet, die de volgende fase zal inluiden van de politieke hervorming. De bureaucraten zullen de natie met vaste hand blijven besturen. Nog steeds zullen de kabinetszittingen tien, hooguit vijftien minuten duren. En omdat het met anonieme bureacraten nu eenmaal lastig zaken doen is, zal het Westen blijven doen alsof een Japanse premier met macht is bekleed - ook premier Hata.