Remonstranten halen kunst in kerk

WAGENINGEN, 25 APRIL. Geen al te vaste kerkelijke leer, geen dogma's. Iedereen vrij in haar of zijn manier van geloven. Dat is wat de leden van de Remonstrantse broederschap, het vrijzinnige protestantse kerkgenootschap dat het afgelopen weekeinde in Wageningen haar 375-jarig bestaan vierde, verbindt.

Veel mag en bijna alles kan. Daarom ook worden er de komende zomermaanden 23 kerkelijke lokaties opengesteld, waar 65 kunstenaars de verbeelding van gelovigen mogen prikkelen. Peter Kattenberg, remonstrants predikant en beeldhouwer uit Amsterdam, is de initiatiefnemer van het project 'Ruimte voor beelden' van de Nederlandse kring van beeldhouwers (NKVB), die nog maar 75 jaar bestaat. Volgens Kattenburg is het een goede zaak dat de “leegte van de kerken, en vaak ook van het christelijk geloof, door beeldhouwers wordt ingevuld”.

Het is alsof de Remonstrantse broederschap de schade van de Beeldenstorm wil herstellen, die in 1566 eerst de zuidelijke en later ook de noordelijke Nederlanden trof en het kunstbezit van tal van katholieke kerken vernietigde. Veel protestanten weten zich sindsdien nauwelijks raad met hun lege kerken, waar weinig bijdraagt tot de religieuze verbeelding. Juist daarom vinden Kattenberg en Marlene de Poeijer, de coördinator van het beeldenproject, deze kale ruimten ideale plekken om beeldhouwwerk tot zijn recht te laten komen en aan mystieke en religieuze verbeelding de vrije loop te laten.

Toch verwachten ze ook moeilijkheden. De komst van zoveel beelden in remonstrantse kerken en gebouwen zal niet geruisloos verlopen. Traditioneel ingestelde kerkgangers zullen er aanstoot aan nemen, veronderstellen de kunstenaars. Vooral ook omdat de kunstwerken dominant aanwezig zullen zijn. “De exposerende kunstenaars laten hun werk niet wegmoffelen naar een rustig plekje”, zegt Marlene van Poeijer. “Kerkelijke functionarissen denken soms dat die beelden wel even verplaatst kunnen worden als er een begrafenisdienst in de kerk is. Maar dat kan natuurlijk niet. De enige afspraak die met de 65 kunstenaars wordt gemaakt, is dat zij voor hun werk niet de plaats van de preekstoel of van het altaar opeisen.”

Hoewel de circa tienduizend remonstranten in Nederland doorgaans vrij hoog ontwikkeld zijn, hebben zij er van oudsher nogal moeite mee om over hun geloofsopvattingen uit te komen. Mevrouw M. Bosman, secretaris van de Remonstrantse broederschap, meent dat in die houding een kentering komt. Veel remonstrantse gemeenten “zoeken intensief naar wat hun identiteit' en willen duidelijk maken dat ze - in tegenstelling tot andere, dogmatische kerken - openstaan voor de wereld en voor de cultuur. Het grote aantal bezoekers op het jubileumfestival duidt er volgens de secretaris ook op dat haar kerk weer levenskracht heeft. De daling van het ledental, waardoor de omvang van dit kerkgenootschap in twintig jaar gehalveerd werd, is bijna tot stilstand gebracht. De broederschap kampt weliswaar nog met een vergrijsd ledenbestand (zestig procent van de remonstranten is 65-plusser), maar Bosman meent te zien dat ook de jongeren weer belangstelling tonen.

Dit blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat dit jaar in Hilversum een eerste landelijke gemeente voor remonstrantse jongeren is opgericht. Ben Wobber, bestuurslid van de nieuwe gemeente, zegt zaterdag in Wageningen dat de jongerengemeente met de naam 'Arminius' openstaat voor iedereen die vindt dat er meer is tussen hemel en aarde, maar helemaal vrijgelaten wil worden in de manier waarop dat wordt ingevuld. Dat de Remonstrantse broederschap opnieuwe werfkracht lijkt te hebben, heeft volgens secretaris Bosman mogelijk te maken met het in 1993 genomen besluit van de broederschap om zich los te maken van het eenwordingsproces van de Hervormde kerk, de Gereformeerde kerken en de Lutherse kerk. Mevrouw Bosman denkt dat er daardoor een nieuwe strijdbaarheid door de broederschap waart. “Nu staan we er weer helemaal alleen voor. En we zullen laten zien dat we alleen verder kunnen.”