Met de politieke partijen komt het nooit meer goed

De kwesties die Nederland bezighouden zijn de toekomst van de verzorgingsstaat, de competitie tussen economie en milieu en vraag of Nederland vol is. Die kwesties houden de politieke partijen intern verdeeld en daarom worden ze niet opgelost, meent Hans Wansink.

Zijn politieke partijen uit de tijd? Terecht noemt J.A.G.M. van Dijk (NRC Handelsblad 15 april) dit een 'alleszins gerechtvaardigde vraag'. De politieke partij, constateert Van Dijk, lijdt aan ernstig functieverlies; het aantal zwevende kiezers wordt bij elke verkiezing groter. De politieke partij is een verschijnsel dat in de tweede helft van de negentiende eeuw opkwam en dat dus ook weer kan verdwijnen.

In principe is directe democratie superieur aan een vertegenwoordigend stelsel. In het eerste geval oordeelt de burger zelf over politieke vraagstukken, in het tweede geval delegeert hij dat oordeel aan vertegenwoordigers, die hij tussen twee verkiezingen in niet tot de orde kan roepen. Het feit dat de vertegenwoordiger niet onafhankelijk is, maar letterlijk en figuurlijk gebonden aan een politieke partij, maakt het voor de burger nog moeilijker hem ter verantwoording te roepen.

Maar, vraagt Van Dijk zich af, zijn er alternatieven voor de partijendemocratie? Of zijn de middelen om de invloed van de partijen te beperken erger dan de kwaal? Van Dijk meent van wel. De media, zo klaagt hij, snijden onderwerpen 'kort en vluchtig, soms zelf oppervlakkig' aan. Directe democratie door middel van peilingen leidt tot 'wisselende en zelfs tegenstrijdige meerderheden bij de keuze voor zaken en personen'.

Ook de Amerikaanse manier van campagne voeren, waarbij de politicus meer steunt op externe financiering dan op zijn partij, kan de goedkeuring van Van Dijk niet wegdragen: “Het leidt tot een beperkt soort van volksvertegenwoordiger en tot vluchtige politieke actiepunten waarmee men de complexiteit van de problemen nog minder aankan.”

Van Dijk gaat nog verder: gevestigde partijen zijn volgens hem per definitie superieur aan de nieuwe. Lokale protestpartijen die bij de gemeenteraadsverkiezingen zo succesvol waren deklasseert hij als 'opportunistische constructies die eenvoudigweg de stemmen oprapen die de bestaande partijen laten vallen'. Politieke bewegingen zoals die van Ross Perot in Amerika en de Lega Nord van Umberto Bossi Italië hebben 'een populistisch karakter'.

Aan het eind van zijn betoog draait Van Dijk de zaak om. De politieke partijen, stelt hij, kunnen zich moeilijk verweren tegen 'de Perots, de Bossi's en de Zjirinovski's' want: “Zij krijgen niet de gelegenheid zich aan te passen omdat de meeste westerse landen niet in staat blijken tot enige staatkundige vernieuwing.”

Dit laatste is natuurlijk onzin. De partijen kunnen het bestel wel vernieuwen, maar ze willen het niet. Ze zijn niet alleen rechter in eigen zaak, maar hebben bovendien belang bij handhaving van hun monopoliepositie. Pas als het te laat is, proberen de gevestigde partijen (zoals de communistische in Oost-Europa of de socialistische in Italië) door hervormingen hun positie veilig te stellen. Ross Perot werd verslagen, Bossi is geen Craxi en Zjirinovski is geen Brezjnjev.

Ik proef bij Van Dijk angst voor 'oppervlakkige media' die de argeloze kiezer in de luren zouden leggen, voor 'opportunistische populisten', die als moderne rattenvangers van Hamelen de 'gewone man' in verzoeking zouden brengen. Dit gebrek aan vertrouwen in het onderscheidingsvermogen van de kiezer lijkt mij niet terecht. Democratie gaat uit van de veronderstelling dat elke volwassene in staat is zich een oordeel te vormen over de wijze waarop de publieke zaak het beste kan worden behartigd. De invoering van het algemeen kiesrecht werd niet voor niets gekoppeld aan de invoering van de leerplicht.

Vandaag de dag zijn de gewone man én de gewone vrouw zo goed opgeleid dat zij niet alleen complexe vraagstukken kunnen doorgronden, maar ook onderscheid kunnen maken tussen het algemeen belang en particuliere belangen. Sterker nog: de burger is geëmancipeerd tot een bezitter die iets te verliezen heeft. Daardoor is hij vertrouwd geraakt met het dragen van verantwoordelijkheid. Ook in de beroepsuitoefening wordt het nemen van beslissingen op een steeds lager niveau gelegd. De rollen zijn omgedraaid. De politicus is van zijn voetstuk gevallen. De 'hoge heren' van weleer blijken ook maar gewone mensen te zijn, die geen raad weten met de 'complexiteit van problemen' waar Van Dijk het over heeft. Soms zelfs zijn het zakkenvullers en profiteurs die misbruik maken van hun positie.

Het probleem ligt dus niet aan de vraagzijde, maar aan de aanbodkant. Met de politieke partijen komt het nooit meer goed. Hun identiteit ontlenen ze immers aan de maatschappelijke groeperingen wier emancipatie ze zich ten doel stellen (arbeiders, katholieken, gereformeerden) en aan hun ideologie. De klassenstrijd is voorbij, de antithese overwonnen. Iedereen heeft gelijke kansen (mooi voorbeeld: de dochter van de GroenLinkse Marokkaanse politicus Rabbae zit op het christelijk gymnasium). Ook de ideologie heeft, zeker na het einde van de Koude Oorlog, nauwelijks betekenis meer: we zijn allemaal sociale liberalen geworden, die de christelijke deugden op hun waarde weten te schatten.

Om nog een reden is het gebrek aan legitimiteit van de partijen niet van voorbijgaande aard. De politieke standpunten vallen niet langer samen met de politieke partijen. Dit ligt niet aan de partijen, maar aan de problemen. Om er drie te noemen: Is Nederland vol? Hoe verhoudt economische groei zich met een schoner milieu? Hoe houden we de verzorgingsstaat overeind?

De antwoorden op deze vragen (Alleen Europeanen toelaten? Ecotax? Ministelsel?) houden de partijen intern verdeeld - en dat bedreigt hun bestaansrecht. Daarom weren ze moeilijke kwesties zo lang mogelijk van de politiek agenda (criminaliteit, buitenlanders). Hetzelfde geldt voor oplossingen die gevestigde belangen raken (basisinkomen, legalisering van drugs, sociale dienstplicht). De besluitvorming rond kwesties als de uitbreiding van Schiphol wordt zo georganiseerd dat alleen professionele lobby's een kans hebben. Kortom: de insiders proberen de outsiders buiten de deur te houden.

Deze insiders, de partijen, maar ook de bureaucratie, de lobby's en de belangenorganisaties, zien het op afstand houden van de burgers als hun gemeenschappelijk belang. Daardoor verdwijnt niet alleen het onderscheid tussen wetgevende macht en uitvoerende macht, maar ook dat tussen staat en het zogenaamde 'maatschappelijk middenveld', die bonte verzameling van organisaties die meer bedreven is in het aanvragen van subsidie dan in het afleggen van verantwoording. De politieke partij begint steeds meer op deze organisaties te lijken, ze verwordt tot een - inderdaad, gesubsidieerde - belangenvereniging van politiek personeel.

Waar dit toe leidt illustreert de gang van zaken in de Europese Unie. Het Brusselse geritsel van lobbyisten en bureaucraten heeft de parlementariërs (zowel nationaal als in Straatsburg) volkomen overstemd. Tegelijkertijd echter zien we hier ook de heilzame werking van de directe democratie. De referenda over het Verdrag van Maastricht in Denemarken, Groot-Brittannië, Ierland en Frankrijk hebben de Eurocraten gedwongen een toontje lager te zingen.

In Nederland is de oplossing nabij. Volgende maand al kunnen het referendum, de gekozen minister-president en het districtenstelsel worden geregeld. Het enige wat Hans van Mierlo hoeft te doen is van deze punten een breekpunt in de kabinetsformatie te maken. Als D66 toch zou gaan regeren, zonder de staatsrechtelijke vernieuwing te regelen, dan behoort zij definitief tot de insiders. Dan heeft zij haar bestaansrecht verloren.