Kwaliteit bij versoberd jeugdtheaterfestival

Jeugdtheaterfestival. Gezien: 20/4 t.m. 23/4 op diverse locaties in Den Bosch

DEN BOSCH, 25 APRIL. Na tien jaar Jeugdtheaterfestival moest het de afgelopen week maar eens radicaal anders in Den Bosch. Volgens velen droeg het festival nog altijd te veel de sporen van zijn oorspronkelijke bestemming: een beurs, waar programmeurs en bemiddelaars uit de kunstzinnige vorming hun aanbod voor het komende seizoen konden vaststellen. De programmering droeg dan ook overwegend een 'voor elk wat wils'-karakter.

Het aantreden van een nieuw artistiek leider in de persoon van Loek Zonneveld was hèt moment om het festivaltuintje eens flink om te spitten. Wat het blijvend effect is, valt na één keer nog niet te zeggen. In vergelijking met het vorig jaar was er in elk geval minder van alles: van zes naar vier dagen, van veertig verschillende voorstellingen naar twintig en maar één buitenlandse groep: het Zweedse Backa Teater. Ook op artistiek niveau werd er gewied, wat leidde tot het ontbreken van een aantal van de structureel gesubsidieerde gezelschappen.

Wat bleef en zelfs werd uitgebreid zijn de laboratoria, voorstellingen in experimenteel stadium. Zo waren er resultaten van een schrijversworkshop te zien en speelden eerstejaars studenten van de Amsterdamse Toneelschool beroemde Shakespearescènes. Ik hoorde een veelbelovende tekstlezing van Esther, het eerste stuk dat Bernlef sinds vijftien jaar weer voor theater schrijft. Het laat de houding tegenover de laatste wereldoorlog zien van drie generaties binnen een gezin. Extra attactie vormde het optreden van de auteur - bij het nog ontbreken van een acteur - als de dementerende grootvader, die vroeger een bekend jazztrompettist was. Indrukwekkend was het voorproefje van de vertelvoorstelling Wonderkanker. In een soort zoekende telegramstijl vertelt Pieter Tiddens het keelsnoerende, maar dappere verhaal van een twaalfjarige jongen met leukemie. Hij zit in een rolstoel en zijn tegenspeler is een slordige verzameling elektronica, die associaties oproept met de apparatuur rondom een ziekenhuisbed.

De laboratoria vormen een artistieke kraamkamer. Ze zijn spannend, omdat het publiek al tijdens het wordingsproces zijn neus om de hoek van de deur mag steken, maar ze zijn vooral noodzakelijk. De top van het vaderlandse jeugdtheater wordt immers al jaren gevormd door succesvolle veertigers - Ad de Bont, Liesbeth Coltof, Alan Zipson, Pauline Mol, Hans van den Boom - die dringend opvolging behoeven.

In het reguliere programma vielen na jaren van esthetiek en vormgerichtheid een groeiend maatschappelijk engagement en begaanheid met kinderen in een steeds chaotischer wereld te bespeuren. Prominent aanwezig was Mirad, een jongen uit Bosnië, ongetwijfeld de belangrijkste jeugdtheatergebeurtenis van het afgelopen seizoen. Over wat Mirad meemaakt bij de terugkeer in zijn platgeschoten vaderland schreef Ad de Bont inmiddels een nieuwe tekst, die komend najaar wordt uitgebracht.

Zowel Het laatste kind van Pauline Mol, als Achter Glas van Eva Bal toont ontredderde, voor hun bestaan knokkende kinderen en Vluchten van Frans Malschaert (Theater Sirkel) raast als een orkaan van visueel en auditief geweld door de zaal. Drie jongens en een meisje demonstreren met overrompelend fysiek spel het oorlogsbedrijf. In een grauwe kampsituatie zijn ze vol agressie in de weer met vier hekken, zeventig kartonnen dozen en stapels conservenblikjes. Taal speelt een ondergeschikte rol. Beelden uit tientallen oorlogsfilms zijn hier, samengebald in klank en beweging, beangstigend dichtbij. Voor verstilling zorgen enkele fraai gezongen, weemoedige liedjes uit de Jiddische traditie. Met name jongeren die met een boog om het theater heenlopen, zouden door deze voorstelling wel eens overtuigd kunnen worden.

Hetzelfde geldt waarschijnlijk voor de fabelachtig vitale Twelfth Night, waar het Backa Teater ons op tracteerde. Drie uur Shakespeare op z'n Zweeds is geen lolletje, maar de show met tien acteurs en zes musici bracht de zaal desondanks op kookpunt. Regisseuse Eva Bergman (dochter van Ingmar) presenteert Shakespeare's komedie als een Italiaanse dorpsklucht, met ijzersterke, hilarische rollen, van vooral Maria als een soort Irma la Douce en een clowneske Malvolio, die voor Olivia zelfs uit zijn driedelig grijs gaat. Het heeft iets van Dirk Tanghe's brutale aanpak en soms is het wel een erg dolle boel, maar na oorlog, kanker en ouders aan de drank is het buitengewoon bevrijdend om de zaal eens verkreukeld van het lachen te verlaten. En dat is iets wat in het huidige jeudgtheater (te) weinig voorkomt.