Doorstroomprofielen helpen literatuuronderwijs om zeep

Twee commissies, een voor Nederlands en een voor de moderne vreemde talen, hadden hun advies nog niet afgeleverd voor een nieuw eindexamen HAVO en VWO, of de stuurgroep Profiel Tweede Fase Voortgezet Onderwijs mikte die adviezen in de la. Onder leiding van oud-staatssecretaris Nel Ginjaar-Maas trok zij het Gedroomde Koninkrijk van Andrée van Es binnen om daar de boel nog maar eens op zijn kop te zetten. Nauwelijks bekomen van de opzet van de basisvorming en de verwerking van het formatie-budgetsysteem, mogen de koninkjes nu in het strijdperk over de indeling van de tweede fase.

Vanaf 1 maart legt de stuurgroep haar oor bij hen te luisteren: wat vinden ze wel van het plan om het onderwijs in de bovenbouw op te delen in vier profielen?

Rob Knoppert heeft eerder op deze pagina (NRC Handelsblad, 17 februari 1994) de inhoud van de nota geschetst. Hij deed dat in het bijzonder uit het perspectief van de exacte vakken. Wij kiezen de invalshoek van het literatuuronderwijs. We delen Knopperts veronderstelling dat dit 'harnas van profielen' een hoop ellende zal veroorzaken.

Als de opvattingen van de stuurgroep uitmonden in beleid is een van de consequenties dat het literatuuronderwijs, vooral in de vreemde talen, zo niet afgeschaft wordt, dan toch aanzienlijke schade zal ondervinden. Zou die verzwakking van de literaire vorming gebaseerd zijn op zakelijke argumenten, dan zou daar over te praten zijn. Nu niet. Want de verschraling van het literatuur-aandeel die wij op grond van deze nota verwachten, berust eenvoudig op de prioriteit die samenleving, met de lobby van het bedrijfsleven en de politiek voorop, geeft aan technische leesvaardigheid als nuttiger dan wat ook. We moeten immers Europa in?

De stuurgroep maakt een einde aan de vanzelfsprekende rol die de literatuur decennialang in het onderwijs heeft bezeten. Zulks is op zich het overwegen waard: waarom zou je alle HAVO- en VWO-leerlingen verplichten tot het lezen voor de lijst, als velen er zo'n gruwelijke hekel aan hebben? Dat mag het onderwijs best eens legitimeren. Maar de stuurgroep creëert, zonder ook maar één argument te geven, een voor het literatuuronderwijs penibele situatie in een tijd waarin steen en been wordt geklaagd over de afnemende belangstelling van de jeugd voor het lezen. Die wetenschap heeft nota bene WVC gedwongen tot het ontwikkelen van 'leesbevorderende' activiteiten.

Voor het gemak beperken we ons in onze analyse van de nota tot het VWO. Dit zou uit mogen gaan van een 'studielast' van 4550 uur in drie jaar, met een gemeenschappelijk (dus voor alle leerlingen verplicht) deel van 2100 uur (= 45 procent), een keuzeprofiel van 1450 uur (32 procent) en een vrij te besteden ruimte van 1000 uur (23 procent). Voor de talen is flink wat gereserveerd in het gemeenschappelijke deel: 1000 uur, waarvan Nederlands 450 en de moderne talen samen 550 uur, te verdelen over tweederde vak Engels en telkens eenderde voor Duits en Frans. Voor leerlingen die de profielen 'Natuur en gezondheid', 'Economie en maatschappij' en 'Natuur en techniek' kiezen is het daarmee wat de talen betreft gedaan. Alleen de leerlingen die 'Cultuur en maatschappij' kiezen krijgen er een moderne vreemde taal voor tweederde bij (300 uur). Bij elkaar opgeteld kunnen leerlingen van dit profiel 850 uur besteden aan de moderne talen, let wel inclusief wat de stuurgroep in modieus affreus jargon 'inspanningsverplichting' van de leerling noemt. Inclusief het huiswerk dus.

Bedenken we dat de 450 uur voor Nederlands met 150 uur per jaar minder zal inhouden dan de huidige situatie aan 'inspanningsverplichting' veroorzaakt, dan zien we dat leerlingen die twee of drie moderne vreemde talen willen leren alles op de taalvaardigheid zullen moeten zetten. De nota lokt dat uit. Ze spreekt van deelvakken. Van talen waar een stukje van is afgehakt. Wel bijvoorbeeld lezen en mondeling, maar laat schrijven of literatuur maar zitten.

Gezien de functie van de tweede fase als 'scharnier' tussen basisvorming en hoger onderwijs zal 'leesvaardigheid' de eerste optie zijn en komen de 'mondelinge vaardigheden' de rest van de tijd opsnoepen. Als het zo gaat - en dat voorspellen we bij het onverhoopt uitvoeren van deze plannen - zal de literatuur bij de vreemde talen worden teruggedrongen tot nagenoeg niets. Bij Nederlands zal men tijd tekort komen.

Is er dan in de voorafgaande basisvorming niet voldoende gedaan aan de culturele ontwikkeling van de leerlingen? Op papier ja. In werkelijkheid is de literaire vorming beperkt tot 20 uur per leerjaar. Daarin wordt de stof ook nog uitgebreid - op zichzelf niet onjuist - tot de televisie en film. Dat betekent dat leraar en leerlingen zich eens in de twee weken een uurtje met lezen van iets aardigs of moois bezighouden. Wij weten zeker dat dit een halvering van de bestaande werkelijkheid is. Ook in de basisvorming Nederlands is de praktische taalvaardigheid tot speerpunt gemaakt.

Wij zijn ervan overtuigd dat de docenten vreemde talen, wanneer zij zich realiseren wat de gevolgen van deze nota zullen zijn, en masse gefrustreerd zullen raken. Ze besteden nu doorgaans eenderde van hun tijd aan het literatuuronderwijs, dikwijls geïntegreerd in het taalvaardigheidsonderwijs. Uit eigen onderzoek weten we hoezeer het merendeel van deze docenten bijzonder gehecht is aan het onderdeel literatuur, zelfs wanneer ze toegeven dat ze aan de moderne tijd niet toekomen en die moeten overlaten aan de docent Nederlands.

Onze eerste wens is dat deze rampzalige herordeningsdrift door de verantwoordelijke politici en beleidsmakers zal worden ingetoomd. Als het onderwijs ergens behoefte aan heeft is het rust. Scholen en docenten zijn mans genoeg om van hun eigen bevoegdheden goed gebruik te maken, op basis van de in de la liggende voorstellen voor vernieuwing van de eindexamens die uiteraard het voorafgaande onderwijs richting geven.

Mocht het evenwel zo gaan als wij vrezen dat het gaan zal, dan zouden wij vooral één mogelijkheid willen aanbevelen voor uitvoering, en wel door de ruimte van ten minste tweederde vak te besteden aan een combinatie van literaturen, aan te duiden als 'internationaal', vakoverstijgend literatuuronderwijs. Daar is binnen de literatuurdidactiek de laatste jaren expertise in verworven. Al te lang is men in de praktijk van het literatuuronderwijs voorbijgegaan aan de verworvenheden van de algemene literatuurwetenschap. Literaire stromingen van de middeleeuwen tot het postmodernisme van thans laten zich, geïllustreerd met voorbeelden uit de diverse literaturen, zeer goed op internationaal niveau verklaren. Dat vanuit zulk een basis (op te nemen in het gemeenschappelijke, verplichte gedeelte) Nederlandse leerlingen in het bijzonder hun eigen literatuur leren lezen en allochtone leerlingen de hunne - spreekt voor ons vanzelf. Al een kwart eeuw geleden werd een dergelijk soort literatuuronderwijs bepleit. Dankzij de eigen inrichting van het onderwijs zijn scholen in de gelegenheid om gespecialiseerde literatuurdocenten aan te stellen. Dat is het minste wat de scholen kunnen doen om de teloorgang van het literatuuronderwijs in ons land tegen te gaan.

    • Wam de Moor
    • Francis Staatsen