Twee dorpen in een grote stad

Henk Knijpinga: Het Brabants Dorp. Opkomst en Ondergang van een Rotterdamse Volksbuurt 88 blz., geïll., Buurtvereniging 'Het Brabants Dorp', Rotterdam 1994, ƒ 25,- (te bestellen bij 010 - 485 17 69)

Jolanda van Herk: Heijplaat, kroniek van een fabrieksdorp in Rotterdam 120 blz., geïll., Leids Instituut voor Sociaal Wetenschappelijk Onderzoek, Leiden 1994, ƒ 29,- (te bestellen bij 071 - 273 845)

Het Brabants Dorp was een nooddorp in Rotterdam-Zuid, dat in 1941 werd gebouwd voor de slachtoffers van het bombardement van 14 mei 1940. Heijplaat is het eerste tuindorp dat in Rotterdam werd gesticht. Het ligt in de onmiddellijke nabijheid van werf en fabrieken van de Rotterdamse Droogdok Maatschappij (RDM). Ondanks de verschillen tussen beide wijken is er een opmerkelijke overeenkomst: de hechte band tussen de bewoners. Vooral in het geval van het Brabants Dorp, dat was gelegen in de Charloisse Polder, is dat bijzonder, want het werd al gesloopt in 1965. Als in 1990 de dreigende sloop van tuindorp Heijplaat op het laatste nippertje niet was afgewend, was de overeenkomst tussen beide wijken nog groter geweest. Aan beide wijken is zojuist een monografie gewijd.

Bij het Duitse bombardement van mei '40 werden ca. 25.000 woningen vernield, waardoor ruwweg 78.000 Rotterdammers dakloos werden. Om in hun huisvesting te voorzien verrezen aan het Noorderkanaal het zogenoemde Gelderse Dorp, waar de straten naar Gelderse plaatsen waren genoemd, en in Rotterdam-Zuid het Brabants Dorp. De levensduur van de nooddorpen (ook de later gebouwde) werd aanmerkelijk langer dan voorzien. Gebouwd voor tien à vijftien jaar werd het nooddorp in Vlaardingen (Babberspolder) eerst onlangs afgebroken, dat in IJsselmonde (Smeetsland) werd in 1991 grondig opgeknapt en ook het nooddorp in Overschie bestaat nog steeds.

Het Brabants Dorp, zo geheten omdat de straatnamen verwezen naar Brabantse gemeenten, vormde op Rotterdam-Zuid een aparte gemeenschap. De slachtoffers van het bombardement moesten wennen aan het wonen aan de andere kant van de Nieuwe Maas. Toch waren de meesten blij weer in een eigen huis te wonen. Het dorp bestond uit 520 piepkleine woningen van een eenvoudige constructie, met betonnen vloeren en daken afgedekt met asfalt. Als bouwmateriaal werd onder andere gebruik gemaakt van het puin van de gebombardeerde stad. Dat ieder huis een eigen tuintje had, was voor de meeste bewoners een grote luxe.

De kinderen gingen veelal naar de zelfde scholen, in de eerste plaats omdat die dichtbij waren, maar ook omdat de kinderen niet overal geaccepteerd werden. Want al spoedig deden de vreemdste geruchten over het dorp de ronde. Verschillende leerkrachten lieten hun oren naar die geruchten hangen en gaven de leerlingen uit het dorp een aparte behandeling.

Van de oorspronkelijke bewoners verhuisden er regelmatig gezinnen naar betere woningen elders in de stad. De leeggekomen woningen werden onmiddellijk verhuurd aan de bewoners van de inmiddels opgeheven heropvoedingskampen in Oosthesselen en Hoogeveen in Drente en aan andere Rotterdammers. Onder hen waren nogal wat handelaren, die wel een woning, maar geen bedrijfsruimte kregen aangeboden. Het gevolg was, dat de autosloperij aan de openbare weg zijn intrede deed in het dorp.

Veel kwaad bloed zette in 1951 de roman Nooddorp van Rogier van Aerde, waarin de bewoners werden afgeschilderd 'als weinig meer dan beesten en de hulpverleners als engelen, die hier op aarde reeds hun vleugeltjes verdiend hadden'. Volgens Henk Knijpinga, de samensteller van het boek en zelf oud-bewoner, is door de officiële instanties van het Brabants Dorp bewust een probleemwijk gecreëerd. De geruchten werden steeds sterker dat er in het dorp alleen maar a-socialen woonden; een woord, dat hij nooit goed begrepen heeft, want juist in het dorp was de sociale bewogenheid heel groot.

Het Brabants Dorp kende een rijk verenigingsleven: er was een voetbalclub, een wandelvereniging, een krachtsportvereniging, een drumband, twee klaverjasverenigingen, een toneelvereniging, een volkstuin- en speeltuinvereniging en een figuurzaagclub. Het comité 'Jong en Oud' haalde in en buiten het dorp oud papier op en organiseerde van de opbrengst Sinterklaasfeesten voor de jeugd en busreizen voor bejaarden en invaliden, waarbij ook de invaliden buiten het dorp niet werden vergeten.

Aan het einde van 1965 was het hele dorp gesloopt, nadat al eerder een deel voor de bouw van het Ikazia-ziekenhuis was verdwenen. Op de plek van het voormalige nooddorp verrezen later metrostation en winkelcentrum Zuidplein. In 1981 richtten 1500 oud-bewoners de 'buurtvereniging zonder buurt' op, met een eigen buurtblad, de Dorpsecho. De tegenwoordige buurtvereniging Het Brabants Dorp, opgericht na een reünie in 1981, heeft dus geen buurt meer, maar beheert wel een clubhuis annex speeltuin elders in Rotterdam-Zuid (Tuindorp Vreewijk). Daar worden activiteiten georganiseerd voor zowel de oud-bewoners van het Brabants Dorp als voor bewoners en kinderen in de nieuwe omgeving.

Kop van Zuid

De straatnamen in Tuindorp Heijplaat dragen bijna alle de namen van schepen die bij de RDM zijn gebouwd of gerepareerd. Dat onderstreept de verbondenheid die het dorp sinds de stichting met de werf heeft gehad.

Door de geïsoleerde positie van de wijk ten opzichte van de rest van Rotterdam(-Zuid), waren de bewoners er meer op elkaar aangewezen dan elders in de stad. Evenals in het Brabants Dorp bloeide het verenigingsleven, dat hier ruimhartig werd gesubsidieerd door de werf. De bewoners waren volledig afhankelijk van de RDM. Die was niet alleen werkgever maar ook huisbaas. Als men ontslag nam bij de werf, moest men binnen drie jaar ook de woning ontruimen.

Bij de dramatische verslechtering in de scheepsbouw tegen het eind van de jaren zeventig kwamen veel Heijplaters op straat te staan. In april 1983 werden van de 3400 werknemers 1700 man ontslagen. Daaronder waren 285 bewoners van Tuindorp Heijplaat. Een nog grotere klap kwam in 1990. Op de 'Kop van Zuid' waren nog wat overlastgevende bedrijven, die de ontwikkeling van het gebied in de weg stonden. Een blik op de kaart wees uit, dat tussen Waal- en Eemhaven nog ruimte was voor havenactiviteiten. De woonwijk die daar ook nog stond moest dan maar verdwijnen. Als officiële reden werd gegeven, dat het er te ongezond was en dat de geluidsoverlast de normen ver overschreed.

Op Heijplaat ontstond tegen die plannen een breed verzet. Regelmatig werden de landelijke media met succes ingeschakeld. Toen een nieuw onderzoek uitwees, dat de geluidshinder binnen de wettelijke perken bleef, moest de politiek bakzeil halen. Het stadsbestuur gaf de garantie dat Heijplaat mocht blijven bestaan.

In Rotterdam was inmiddels het project Sociale Vernieuwing gestart, waarvoor de geschiedenis van het Heijplaatse verzet prachtig model kon staan. Het Leidse Instituut voor Sociaal Wetenschappelijk Onderzoek kreeg opdracht in kaart te brengen hoe de Heijplaatse gemeenschap functioneerde en of andere wijken daarvan nog wat konden opsteken. Jolanda van Herk, die als extern deskundige zeven jaar op Heijplaat werkte tijdens de stadsvernieuwing, schenkt in haar boek veel aandacht aan de strijd tegen de dreigende sloop, maar ook aan de sociale verhoudingen, het verenigingsleven, de opkomst en neergang van de RDM, de oorlogsjaren en de toekomst. Nu het tuindorp door de nieuwe eigenaar, de Woningstichting 'Onze Woning', geheel is gerenoveerd, ligt het in de verwachting dat die nog lang zal duren.

    • J. Oudenaarden