'Toppaarden zijn veeleisend en staan geen fout van de ruiter toe'

Hij personificeert de bloei van de Nederlandse paardesport. JOS LANSINK won vorige week de wereldbeker en is, voorlopig, de beste springruiter van de wereld. Maar hij blijft bescheiden. “Je blijft afhankelijk van je materiaal.”

Jos Lansink gunt zichzelf ieder jaar één week vakantie. De rest van de tijd is hij met paarden bezig. Hij springt en wint wedstrijden over de hele wereld, hij traint toppers en talenten in de stal van Hans Horn en hij heeft “als hobby” ook thuis nog een paar fokmerries en een aantal veulens van de hengst Libero rondlopen.

De topruiter is in dienst van Hans Horn op het acht hectare tellende complex De Wiemselbach in Twente. Een rondleiding voert door de stallen met aan de ene kant het dozijn dekhengsten en aan de andere kant de wedstrijdpaarden. Lansink laat de stapmolen, het laboratorium voor het sperma van de fokhengsten, de jonge veulens en de drachtige merries zien. Hij eindigt in het open terrein. Daar geniet een trotse hengst van het dagelijkse uurtje buiten spelen. Libero stapt vrolijk door het zand met een deken om zijn schouders en zwachtels om de enkels. Zodra de ruiter aan het hek verschijnt, komt Libero aangesneld. Ruiter en hengst glimmen van plezier.

“Je moet van je paarden houden”, heeft Lansink eerder uitgelegd. “Als je hem aait, maar daar niets bij voelt, heeft het paard dat direct door. Dan zal het niet veel voor je over hebben.” Een paard trainen voor een wedstrijd en hem of haar foutloos door de ring sturen, berust op afspraken, op wederzijds belang en vertrouwen. “Je moet het op een akkoordje gooien. Een mens wint het toch nooit van vijfhonderd kilo spieren”, zegt Lansink. “Je moet hem domineren, zonder zijn persoonlijkheid te breken”, zegt Horn.

De Wiemselbach telt ongeveer zeventig paarden, maar daarvan zijn er hooguit dertig 'onder het zadel'. Lansink is verantwoordelijk voor de wedstrijdpaarden. Hij heeft volgens het jargon 'gouden handen'. Hij kan met veel verschillende paarden goed overweg, ook als ze door hun vorige eigenaar wegens nukkigheden van de hand zijn gedaan. “Probleemgevallen los je op door op ze te gaan zitten en weg te rijden. En dat dan zo lang mogelijk”, vertelt Lansink in de ruime ontvangstruimte van de springhal. “Toen ik hier kwam was het een handelsstal. De paarden, die het beste presteerden, werden het snelste weer verkocht. Dan leer je veel verschillende paarden kennen. Net als ieder mens, heeft ook ieder paard een ander karakter. Je kunt nooit sterker zijn dan een paard, wel slimmer. Je moet op de juiste manier respect afdwingen.”

De zelfverzekerde, maar bescheiden boerenzoon is niet afhankelijk van één paard. Zijn grote successen begonnen met Felix, kregen hun vervolg met Egano en dit seizoen dankt hij de zes overwinningen in wereldbeker-wedstrijden aan Libero H. Het afgelopen weekeinde won de 33-jarige ruiter ook de finale, waar de beste dertig ruiters van de wereld aanwezig waren, in Den Bosch met een overweldigende overmacht. Hij sprong vrijdag, zaterdag en zondag zonder één balk uit de lepels te stoten. Lansink werd er niet koud of warm van. “Alles normaal, dat is het belangrijkste”, is zijn levensmotto.

Zondagavond had hij even tijd voor de vrijgezellenavond van collega Roelof Bril, maar maandagochtend meldde Lansink zich al weer bij de stal. Hij werkt zeven dagen per week, tien uur per dag. Vanaf 's ochtends acht uur rijdt hij iedere dag een tiental paarden elk twintig tot dertig minuten. Een paard moet gehoorzaamheid en behendigheid aanleren. Het moet luisteren naar de ruiter en op commando kort kunnen draaien of zijn galopsprong kunnen verruimen of verkorten. Lansink verzorgt de trainingsschema's. Hij bepaalt hoe lang de paarden in de stapmolen mogen om hun pezen en spieren te harden, hoe lang ze de wei in mogen en welk voedsel ze krijgen. Dat vergt vooral veel kijken naar de paarden.

Hij was voorbestemd om de boerderij van zijn vader over te nemen in Weerselo, een dorpje in Twente in de buurt van Almelo. Hij voltooide de Mavo en de Landbouwschool. Vanaf zijn derde klom hij via het kippegaas al op de rug van de pony's. “Ik had voortdurend paarden om me heen. Mijn vader had ook altijd gereden.” Tot zijn achttiende sprong hij wedstrijden met pony's, daarna stapte hij over op paarden. In de Randstad zijn het eerder meisjes dan jongens die paardrijden, in Twente liggen de verhoudingen omgekeerd. “Meisjes rijden tot hun zeventiende of achttiende, maar dan gaan ze naar de disco, krijgen ze verkering en zetten ze het paard in de hoek.”

Lansink wilde liever springen dan de boerderij overnemen. Hij kreeg een halve baan bij een stal in de buurt, toen een stage bij een grote stal en kwam ten slotte in 1982 in dienst bij Hans Horn, De eerste zes jaar was Lansink 'handelsruiter'. Hij moest de handelswaar aan klanten laten zien en wedstrijden winnen om de capaciteiten van de paarden te tonen.

“Hij was altijd al een heel handige ruiter”, vertelt Horn over Lansink. “Hij kon problemen met paarden snel oplossen.” Pas in 1988, toen Horn de beschikking kreeg over de topper Felix, brak Lansink door tot de wereldtop. Hij werd zevende op de Olympische Spelen in Seoul en derde op het Europees kampioenschap. “Ik had in één klap een hele goede wedstrijdruiter in dienst”, ontdekte Horn.

“Lansink is van nature helemaal niet zo'n talent als bijvoorbeeld Franke Sloothaak. Die reed op zijn vijftiende net zo als nu. Hij rijdt op gevoel. Jos heeft een leerproces doorgemaakt. Hij is door hard werken geworden tot wat hij nu is. Hij is koel, heeft stalen zenuwen en houdt tijdens de wedstrijd het overzicht. Hij wil zijn paard volledig onder controle hebben en zal daarom ook alle details van te voren tot in de puntjes regelen.”

Om zijn topruiter te behouden moest Horn ook het topmateriaal behouden. Hij moest er zijn bedrijfsfilosofie voor aanpassen. Dankzij sponsoring hoefde Horn de toppaarden niet te verkopen. Horns stal drijft nu in de eerste plaats op de exploitatie van dekhengsten. Het dekgeld van Libero bedraagt 3500 gulden en zijn sperma kan meer dan een miljoen per seizoen opbrengen. In de tweede plaats draait de stal op het wedstrijdspringen. De handel komt op het derde plan. Lansink is in loondienst, maar deelt mee in het prijzengeld. Zowel Egano als Libero verdiende al meer dan een miljoen gulden.

“Je bent afhankelijk van het materiaal”, relativeert Lansink zijn successen. “Zonder toppaarden moet ik een niveau lager rijden.” Een overwinning is voor vijftig procent aan het paard en voor vijftig procent aan de ruiter te danken, zegt Lansink. “De wedstrijd duurt anderhalve minuut. Dan moet alles er uit komen. Je kunt van te voren uitrekenen hoe je de afstand gaat overbruggen tussen twee hindernissen, maar als je er even scheef over heen gaat verandert dat al weer. Tijdens de wedstrijd ben je voortdurend aan het aanpassen. Hoe beter het paard is, hoe beter de ruiter moet zijn. Toppaarden hebben ingewikkelde karakters, ze zijn veeleisend. Ze staan niet toe dat de ruiter een fout maakt. Na een fout zijn ze beledigd.”

De trainingen zijn niet heel bijzonder. Veel aandacht, veel 'dressuurmatig rijden'. Het paard moet wennen aan gehoorzaamheid, aan onverwachte wendingen, aan zware belastingen. Andere ruiters van de stal mogen rijden op de toppaarden van Lansink, maar ze mogen er nooit mee springen. “Als ik in de buurt ben, weten ze dat er iets bijzonders kan gebeuren. Soms hebben ze ook met mij wel eens een rustig dagje, maar in principe hebben ze het bij mij zwaarder dan bij anderen.”

Het indoorseizoen is inmiddels afgelopen. Morgen heeft Lansink een van zijn zeldzame vrije dagen, al gaat hij 's middags waarschijnlijk toch even rijden. Voordat de wedstrijden in de open lucht beginnen rijdt Lansink een paar kleinere, regionale concoursen. Volgende week in Eibergen, de week daarna in Wierden. Daar rijdt hij met relatief onervaren paarden tegen 'gewone' ruiters als tegenstanders. “Die wedstrijd is net zo moeilijk te winnen als een wereldbekerwedstrijd”, zegt Lansink. Maar het hoort bij het opleiden van een jong talent. Dat begint als het paard vier is en kan jaren duren. “Ze moeten ervaring opdoen, kilometers maken.”

Het paard is de topatleet, de ruiter is minder afhankelijk van zijn eigen fysieke conditie. “Ik ben de hele dag in beweging en heb nergens last van”, zegt Lansink. “Als ik conditie tekort zou komen, zou ik wel gaan zwemmen of naar een sportschool gaan, want het is mijn vak, mijn brood. Voor paardrijden heb je kracht nodig, je moet je kunnen concentreren.”

Zijn rijstijl is een soort mengvorm van de 'strenge' Duitse en de 'vrije' Amerikaanse rijschool. Hij gebruikt ieder geval zijn benen overvloedig om het paard te ondersteunen. “Libero kan je niet op de Amerikaanse manier rijden”, zegt Lansink. “Hij heeft ondersteuning nodig. Het belangrijkste voor succes is het wederzijdse vertrouwen tussen mens en dier. Hoe groter het vertrouwen, hoe meer succes. Dan is een paard het verlengstuk van het lichaam.”

    • Claartje van Andel
    • Remmelt Otten