Terug naar kikkerland

Wim Willems en Leo Lucassen, redactie: Het onbekende vaderland. De repatriëring van Indische Nederlanders (1946-1964) 183 blz., geïll., Sdu 1994, ƒ 29,90

Mede onder invloed van de komst van nieuwe migranten vanaf de jaren zestig zijn Indische Nederlanders zich gaan verdiepen in hun eigen geschiedenis. Vanaf 1989 organiseert het Leids Instituut voor Sociaal Wetenschappelijk Onderzoek (LISWO) jaarlijks de zogeheten Indische Studiedagen. In 1992 was het onderwerp 'repatriëring'. Pas nu, bijna twee jaar later, zijn de voordrachten en lezingen in boekvorm verschenen. Het onbekende vaderland bevat, naast een inleiding door de samenstellers van de bundel, drie persoonlijke beschrijvingen van mensen die indertijd repatrieerden en negen wetenschappelijke verhandelingen.

De traditionele jaarlijkse Pasar Malam op het Haagse Malieveld richtte eveneens in 1992 een tentoonstelling in die aan het onderwerp was gewijd. Het was ook bij die gelegenheid dat de schrijver F. Springer, de socioloog en historicus Guus Cleintuar en Lilian Ducelle, weduwe van de in 1974 overleden schrijver Tjalie Robinson/Vincent Mahieu hun persoonlijk relaas deden. Het is goed dat de samenstellers deze verhalen in de bundel hebben opgenomen. Ze geven meer reliëf aan de soms droge beschouwingen door de wetenschappers. Springers verhaal is een juweeltje.

De bijdrage van P.J. Drooglever is voor een groot deel gewijd aan de financiële garanties die Indische ambtenaren kregen nadat Nederland eind 1949 de soevereiniteit had overgedragen aan de Republiek Indonesië. Die garanties werden vastgelegd tijdens de Ronde Tafel Conferentie (RTC) die voorafging aan de soevereiniteitsoverdracht. Zij werden vervolgens ondergebracht in de Nederlands-Indonesische Unie. Als gevolg van het al snel oplaaiende conflict over de toekomst van Nieuw-Guinea zegde Jakarta al binnen enkele jaren die Unie op, zonder dat Den Haag daar al te veel tegenin bracht. De eerder genoemde ambtenarengaranties, die slechts zeer gedeeltelijk door de Nederlandse regering werden gedekt, gingen daardoor verloren.

Toen in de jaren zeventig organisaties van Indische Nederlanders in Nederland campagne begonnen te voeren om het tijdens krijgsgevangenschap niet uitbetaalde soldij alsnog op te eisen (de zogeheten Back-Pay-kwestie), verwees Den Haag de betrokkenen naar de RTC-overeenkomsten, in casu naar de Indonesische regering. Uiteindelijk heeft bijna iedereen ter compensatie ƒ 7.500 gekregen. Een behandeling van de Back-Pay-affaire, die bij veel gerepatrieerden een diepe wrok tegen de Nederlandse overheid heeft gewekt, wordt bij Drooglever, maar ook elders in de bundel, node gemist. Hetzelfde geldt voor het gemarchandeer met de Wet Indisch Verzet en met de rechten van de Indische dienstplichtigen. Het zijn zaken die de integratie niet bepaald hebben bevorderd.

Druk

Een voortdurend terugkerend thema in bijna alle bijdragen is de druk die de Nederlandse overheid uitoefende op de Indische Nederlanders om vooral in het onafhankelijk geworden Indonesië te blijven en niet naar Nederland te komen. In Den Haag heerste de vrees dat vooral de 'in Indië gewortelden', ook wel als 'Oosters' aangeduide Indo-Europeanen zich niet in Nederland zouden kunnen aanpassen. Gevreesd werd voor het ontstaan van wat het Kamerlid Stufkens aanduidde met 'ongezonde kernen in ons volkslichaam'. Bovendien was, zo redeneerde men ook toen al, Nederland te vol en heerste er een grote woningnood: Volksvijand no. 1.

J. Ramakers schetst in zijn bijdrage op heldere wijze het politieke getrouwtrek tussen parlement en gemeenten bij het beschikbaar stellen van woningen voor de repatrianten. Het was de KVP-minister Teulings die zich uiteindelijk met succes sterk maakte voor de Wet Huisvesting Gerepatrieerden. Ramakers trekt een historische parallel met de opvang van joodse vluchtelingen in de jaren dertig. Interessant, maar het had meer voor de hand gelegen een vergelijking te maken met wat zich twintig jaar later afspeelde met de opvang van Surinamers die, toen hun land in 1975 onafhankelijk werd, massaal naar Nederland trokken.

Werden op het gebied van de huisvesting speciale maatregelen getroffen, op het terrein van het onderwijs was daar na 1950 geen sprake van. Tussen 1946 en 1950 werden in heel Nederland zogeheten overbruggingsscholen of -klassen gesticht om kinderen die tijdens de Japanse bezetting vaak enkele jaren onderwijs hadden moeten missen een goede schoolaansluiting te bezorgen. Onderzoek heeft aangetoond dat dit in het algemeen goede resultaten heeft gehad.

Toen aan het eind van de jaren vijftig zo'n 25.000 'spijtoptanten' - die aanvankelijk (onder Nederlandse druk) hadden geopteerd voor de Indonesische nationaliteit - in Nederland werden toegelaten, ontstond andermaal behoefte aan overbruggingsonderwijs. Deze kinderen hadden immers voornamelijk Indonesisch onderwijs genoten. Zij werden, ondanks aandrang van een enkel Kamerlid tot speciale maatregelen, in het diepe gegooid. Gebleken is dat ook zij het met grote inzet goed hebben gered.

In totaal zijn tussen 1945 en 1980 een kleine 300.000 mensen uit Indonesië naar Nederland gekomen. In de loop der jaren zijn verschillende onderzoeken gedaan naar deze groep, maar over het integratie- dan wel assimilatieproces is vrij weinig bekend, vooral omdat destijds weinig statistische gevens werden opgetekend.

Demografie

Gijs Beets heeft een aanzet willen geven voor een demografie van Indische Nederlanders en hun in Nederland wonende nazaten. Volgens cijfers ontleend aan het Centraal Bureau voor de Statistiek uit 1990 woonden vier jaar geleden in Nederland 472.600 personen 'van Indonesische origine'. Volgens het CBS behoort iemand al tot deze categorie als één van de ouders in Ind(ones)ië is geboren. Versmallen we die definitie tot de wat realistischer groep van personen die zelf en wier ouders ook in Ind(ones)ië zijn geboren, dan komen we niet verder dan 90.000 personen. Beets' poging tot demografie leidt tot soms bijna vermakelijk gegoochel met cijfers. De resultaten zijn volkomen ongeschikt om - wat de samenstellers van de bundel zich blijkens hun introductie toch ten doel stellen - meer te weten te komen over het assimilatieproces van Indische Nederlanders, zodat lering kan worden getrokken voor de integratie van latere immigranten.

Er is in het boek ook aandacht voor Indische Nederlanders die besloten naar Nieuw-Guinea te gaan of, al dan niet via Nederland, te emigreren naar de Verenigde Staten. Maar waarom geen woord over de duizenden mensen uit Indonesië die zich in Australië vestigden? Met de zo'n 6.000 Indische Nederlanders die definitief besloten in Indonesië te blijven, blijkt het redelijk goed te zijn gegaan. Mogelijk wordt hier echter een te rooskleurig beeld geschetst, want het is de vraag of het onderzoek waarop deze conclusie berust, de vereiste diepgang had.

Het onbekende vaderland is een leesbare bundel geworden. Maar een sociologisch verantwoord verhaal over de achtergrond van de vechtpartijen tussen Indische jongens en Nederlandse leeftijdsgenoten in Den Haag in de jaren vijftig zou niet hebben misstaan. Evenmin als een beschouwing over de invloed van Indische musici op de Nederlandse popmuziek. Het prachtige boek hierover, Rockin' Ramona door Lutgard Mutsaers, staat niet eens vermeld in het uitgebreide literatuuroverzicht.