Pingpongballen

Niet lang nadat ik in Frankrijk was gaan studeren viel ik ten prooi aan een kortstondige, strikt persoonlijke Celtic Revival. Ik woonde midden in Parijs, in de wieg van de Franse civilisatie, met toegang tot Franse bibliotheken, musea en authentieke sprekers van de taal, maar ik las alleen maar Ierse boeken, ik luisterde naar Ierse muziek en in de tijd die ik zou moeten besteden aan de vervolmaking van mijn Frans probeerde ik mijzelf de Ierse taal te leren. 's Avonds las ik Ulysses met een kaart van Dublin naast me, Blooms route volgend door een stad die ik beter kende dan die waarin ik me bevond. De hele Franse cultuur lag aan mijn voeten, veel ervan kosteloos, maar ik besteedde obstinaat mijn geld aan dure geïmporteerde boeken en zocht vergeefs naar een authentieke spreker van het Iers om mijn uitspraak te verbeteren.

Ik maakte kennis met een sinds lang in Parijs wonende Ierse familie, en bracht heel wat tijd bij hen in hun flat door. Die bevond zich in het oude centrum van Parijs, op de Seine-oever, uitziend op het Ile de la Cité, met een 'vue imprenable' op Notre Dame; maar binnen was het of je in Ierland was: Engelse boeken, een badkamer die op de vestibule uitkwam, en meubels die meer toevallig dan opzettelijk bij elkaar waren gebracht. Het was de laatste flat in Parijs waarvan de CV nog op kolen werd gestookt: deze kolen werden vijf trappen op gedragen en gestort in een soort kolenhok midden in de keuken. De waterleiding en de afvoeren dateerden uit het stenen tijdperk en als je niet oppaste stroomde de wasmachine over, en dan vermengde het zeepsop zich met het kolengruis. Meehelpen aan het redderen maakte dat ik me er kind aan huis voelde; dat daar ook nadelen aan verbonden kunnen zijn zou ik eerst later tot mijn eeuwige schaamte ontdekken.

De eigenaars woonden op de étage er onder en er was, zoals toen veel voorkwam, geen officieel huurcontract. Hoewel mijn Keltische stamgenoten er al dertig jaar woonden was hun positie zwak: toen de eigenaars de flat terug wilden hebben werden ze lastig, zoals onze oude kat die vlak naast de jonge gaat zitten terwijl hij eet: ze onteigenden een van de kamers op de verdieping van mijn vrienden door vanuit hun flat een trap naar boven te bouwen en de deur dicht te metselen. Het zag er onthutsend uit, witte gipsblokken waar vroeger de slaapkamerdeur van de jongste zoon was.

De moeder van de familie, Eileen, had ik leren kennen in de bibliotheek waar zij werkte en waar ik opvallend veel Ierse romans leende. Het bleek dat zij een jaargenoot was van een van mijn vaders zusters aan Trinity College. En haar moeder woonde vlak bij een andere zuster van mijn vader, degene die yoghurtpotten verzamelde. Eileens moeder zelf, zo bleek, verzamelde melkflessen; haar collectie was over de jaren wat onhandelbaar geworden: nooit in haar leven had ze een lege fles teruggezet voor de melkboer en toen iemand daar eens voorzichtig wat over zei riep ze geëmotioneerd uit: “What? So the IRA can use them for Molotov-cocktails?”

Eileen had een paar zoons, een paar jaar ouder dan ik, die onregelmatig thuis kwamen; een van hen was verblindend mooi, met precies dat uiterlijk van een wilde Ierse dichter dat toen mijn ideaal was: bleke huid, blauwe ogen, woest donker haar en een blik of hij in een andere, Keltische werkelijkheid vertoefde; later werd hij een militante vegetariër en oefende een geneeswijze uit die gebaseerd was op voetmassage. Maar in die tijd was ik zo in zijn ban dat ik nauwelijks tegen hem durfde te spreken, want dan zou ongetwijfeld blijken dat ik mij op een veel lager, grofstoffelijk plan bevond; alles wat ik deed was hem aanstaren en mij voorstellen dat ik zou wonen - niet samen met hem, maar alleen maar dicht in zijn buurt - in een hut aan de Westkust van Ierland.

Het gebeurde op een avond: het huis was vol gasten, er was veel te drinken en ik zat bevend te wachten tot de dichter zou voorstellen met hem naar de Aran Islands te vluchten, of tenminste het woord tot mij zou richten. En toen, op een moment dat ik hem even niet zag, begaf ik mij naar de WC en ontmoette hem voor de deur. Hij verleende mij hoffelijk voorrang.

Zodra ik mij met Eileens sanitair in eenzame opsluiting bevond werd ik gewaar dat de waterspoeling zijn taak na het vorige gebruik niet of onvoldoende had vervuld. Het schijnt dat de effectiviteit van een WC wordt getest met het doorspoelen van pingpongballen; de situatie was hier analoog, alleen werkte het niet, en het waren ook geen pingpongballen. Een ruk aan de ketting bracht alleen een droog, hoestend geluid teweeg: een timide gepruttel in de antieke stortbak wees er op dat deze kortgeleden dienst had gedaan en nog bezig was bij te vullen. Niet alleen bleek het geruime tijd te duren voor het waterkanon opnieuw gereed was om te vuren, maar bovendien had het volgende, en ook het daaropvolgende salvo niet het gewenste effect. Het zweet brak me uit; bij elke hernieuwde poging steeg het water tot angstig dicht bij de rand, om vervolgens weer langzaam te dalen zonder de pingpongballen van de vorige bezoeker te hebben verwijderd. Het bijvullen duurde telkens een eeuwigheid. In mijn radeloosheid overwoog ik het kraantje boven bij de stortbak wijder open te zetten, hoewel het in staat leek om pogingen er aan te draaien af te straffen met een overstroming; ik stelde me voor hoe ik daarover ter verantwoording zou worden geroepen, zoals Lucky Jim door de vrouw van de decaan in het meesterwerk van Kingsley Amis (“Would you please explain to me, Mr Dixon, what exactly you did to your bedclothes?”). Toen ik het ten einde raad toch maar probeerde bleek het kraantje onwrikbaar vastgeverfd.

Daar stond ik, in vertwijfeling, tegenover een vreemde vijandige WC in een vreemd vijandig land, wanhopig pogend mij te ontdoen van iets waar ik niets mee te maken had, maar waarvoor ik gedwongen was de verantwoordelijkheid te nemen. Tenslotte raapte ik mijn moed bij elkaar, probeerde te kijken als iemand die er niets mee te maken heeft, en opende de deur. Stond hij er nog? Nee, hij kwam er net aan en ik botste bijna tegen hem op.

Later heb ik mij wel eens afgevraagd wat een professionele raadgeefster in een damestijdschrift hierbij geadviseerd zou hebben: uitleggen? De deur weer dichtdoen en wachten tot iedereen naar huis was gegaan? De nacht in vluchten en nooit meer terugkomen? Wat ik deed was beschroomd terugsluipen naar mijn glas. Toen degene met wie ik in gedachten een half leven had doorgebracht (en die mij, het moet gezegd worden, tot dat tijdstip nauwelijks had bekeken) weer binnenkwam, wierp hij mij tersluiks een eigenaardige, vorsende blik toe.

Zo eindigde mijn Keltische periode.

    • Sarah Hart