Patijn kan eindelijk zijn 'handen eens vuil maken'

DEN HAAG, 23 APRIL. Eén ding knaagt al tien jaar aan mr. S. Patijn: dat hij als commissaris van de koningin altijd heeft moeten toekijken hoe het zware werk werd gedaan in de steden. Drugsbestrijding, het gevecht tegen de verloedering en de misdaad - hij kon er wel iets over zeggen, maar altijd als de man aan de buitenkant. Daarom straalde hij gistermiddag breeduit na zijn benoeming gisteren door het kabinet tot burgemeester van Amsterdam. “Nu kan ik eindelijk mijn handen eens vuil maken.”

“Daar zit ik dan”, zegt Patijn (57) op het Zuidhollandse provinciehuis. “Ongelooflijk blij” met de “buitengewoon eervolle benoeming”, die anderhalve week geleden al was uitgelekt, maar gisteren officieel door premier Lubbers werd bekendgemaakt. Hij treedt pas aan in juni en wil daarom nog niet te veel vooruitlopen op zijn toekomstig beleid.

Patijn is, onderstreept hij, een andere persoon dan de vertrokken burgemeester - de Amsterdamse gemeenteraad wilde eigenlijk het liefst een 'broertje of zusje van Ed. van Thijn' hebben -, maar hij zal zijn PvdA-genoot in verschillende zaken navolgen. De inzet van zijn voorganger voor “alle Amsterdammers, autochtoon en allochtoon”, noemt hij als eerste. Op dat gebied is hijzelf fel, zegt Patijn. “De verdraagzaamheid tussen Amsterdammers wordt zwaar op de proef gesteld.” Met mensen die daarvan misbruik proberen te maken zal de nieuwe burgemeester “weinig geduld hebben”.

Hij voorspelt ook een bestuursstijl à la Van Thijn. De burgemeester moet zich controleerbaar opstellen, vindt hij, en openstaan voor de dialoog met zijn medebestuurders. Zo heeft Patijn het in Zuid-Holland gedaan en “dat zal men in mij hebben herkend” toen hem werd gevraagd te solliciteren naar 'Amsterdam'.

Dat gebeurde niet meteen na het vertrek van Van Thijn. Toen die in januari de overleden minister Dales op het departement van binnenlandse zaken opvolgde, overwoog Patijn “geen moment” te solliciteren. Uit zijn ervaring als burgemeesters-lobbyist voor de PvdA in de Tweede Kamer wist hij heel goed dat wie een kans maakt, gevraagd wordt. Dat hij niet werd gevraagd, was voor hem het teken dat men in een andere richting zocht.

Pas geruime tijd na de sluiting van de officiële sollicitatieperiode keek de partij in de richting van Patijn. Op 4 april belde de voorzitter van de vertrouwenscommissie uit de Amsterdamse gemeenteraad, Patijns partijgenoot Eberhard van der Laan, met de vraag of hij beschikbaar was als kandidaat. Dat bood een vrijwel zekere kans op de benoeming, geeft Patijn nu toe. Via welke omweg men tot hem is gekomen, welke kandidaten de PvdA wellicht eerst op het oog had, vindt hij niet meer interessant: “Het enige dat telt, is wie het wordt.”

Geaarzeld heeft hij dan ook niet met zijn besluit toe te stemmen. Ook de spanningen rond het Amsterdams politiekorps, vlak voor zijn kandidatuur tot een hoogtepunt gekomen met de verschijning van het rapport-Wierenga, hebben hem niet kunnen afschrikken. “Ik had het rapport over de opheffing van het IRT al voor 4 april gelezen. Boeiende lectuur. Verder vind ik er nu niets van. Zodra ik naar Amsterdam vertrek zal ik me daar op storten.” Over eventuele samenwerking met hoofdcommissaris Nordholt van Amsterdam, wil Patijn ook weinig kwijt. “Iedereen die ik spreek zegt dat hij één van de allerbeste politiechefs van Nederland is. Maar ik kan dat niet proefondervindelijk bewijzen.”

Zijn benoeming heeft Patijn naar eigen inschatting te danken aan de grote ervaring die hij sinds 1973 heeft opgedaan in de politiek en in het binnenlands bestuur. Maar vooral, zo voegt hij er vergenoegd aan toe, aan het feit dat hij lid van de PvdA is: “Als ik van het CDA of de VVD was geweest was ik niet in aanmerking gekomen.”

Een van de belangrijkste taken die Patijn de komende jaren op zich zal moeten nemen is de opheffing van zijn gemeente. In 1998 moet de stad met haar randgemeenten versmelten tot de stadsprovincie Amsterdam. Dat verloopt niet zonder pijn. De randgemeenten zien Amsterdam als een slokop die vooral groter wil worden. Als commissaris van de koningin in Zuid-Holland heeft Patijn iets dergelijks meegemaakt met de regio rond Rotterdam. Hij heeft het Rotterdamse model altijd gesteund en zal dat ook in Amsterdam voorstaan.

Als de zaak loopt zoals Patijn het wil, is dus hij “misschien wel de laatste burgemeester van Amsterdam”. Als de stadsprovincie een feit is wordt de hoofdstad immers opgedeeld in vijftien kleinere gemeenten, met evenzoveel burgemeesters. “Als me in 1998 wordt gevraagd of ik commissaris van de koningin van de provincie Amsterdam wil worden, zal ik dat doen. Als ze me dan niet meer willen, ga ik rozenknippen.”