Nixon: geestrijk staatsman, geïsoleerde en onzekere tobber

De vanochtend vroeg overleden Richard Nixon sleurde Amerika als president uit de stroomversnelling van het Vietnam-debâcle en volgde tegelijkertijd een nieuwe, veelbelovende koers in de wereldpolitiek. Totdat het noodlot, besloten in zijn eigen karakter, toesloeg: met leugens en intimidatie tijdens het Watergate-schandaal verspeelde hij de prijs van zijn leven.

Drama was wat Richard Nixon zijn leven lang heeft gezocht en drama was wat hij overvloedig heeft gekregen. Zelfs het dieptepunt, zijn voortijdige afscheid van het presidentschap als gevolg van het Watergate-schandaal, beleefde hij naar eigen zeggen als een Griekse tragedie die tot de laatste minuut moest worden uitgezeten. De constante menigte buiten de ijzeren hekken van het Witte Huis wilde volgens hem “het historisch moment” (van zijn aftreden) meebeleven. Het “Jail to the chief” dat hem werd toegeschreeuwd, wenste hij niet te hebben gehoord. De televisietoespraak waarin hij zijn vertrek bekendmaakte, werd even grondig voorbereid als zijn inaugurele rede, compleet met wijsgerige citaten van beroemde voorgangers.

Om 45 seconden over negen in de avond van donderdag 8 augustus 1974 luidde Nixon zelf het definitieve einde van zijn politieke loopbaan in. Het wegvallen van de politieke basis in het Congres had hem doen besluiten zijn 'impeachment' door de volksvertegenwoordiging (een veroordeling en gedwongen aftreden inhoudend) niet af te wachten. Nixon gaf daarmee toe dat hij het bij zijn eigen partij had verbruid en dat zelfs zijn beste vrienden hun politieke steun hadden opgezegd.

Het was niet de eerste keer dat Nixon de woestijn moest opzoeken. Na veertien jaar actieve politiek, waarvan de laatste acht jaar als vice-president onder de populaire Eisenhower, was hij aan de presidentiële campagne van 1960 begonnen als de kansrijkste kandidaat. Zijn Democratische tegenstrever, senator John F. Kennedy, was vergeleken met Nixon jong, onbekend en onervaren, een rijkeluiszoontje met een onacceptabel geachte Ierse, rooms-katholieke achtergrond die zelfs in zijn eigen partij gewantrouwd werd.

Kennedy won met een verschil van 113.000 op een totaal van ruim 68 miljoen uitgebrachte stemmen. De vier voorafgaande televisiedebatten tussen de kandidaten hadden Nixon meer kwaad dan goed gedaan, zoals hijzelf toegaf, maar gezien het geringe verschil was de uitslag volgens hem toch vooral bepaald door burgemeester Daley's Democratische 'machine' in Chicago. Nixon was er van overtuigd dat er was gefraudeerd, maar overwoog dat hertelling zeker een half jaar zou vergen en het land onbestuurbaar zou maken.

Als gevolg van de nederlaag van 1960 werd Nixon een politicus zonder toekomst. Maar hij bleef het proberen. Televisie was een nieuw medium, concludeerde hij, dat de politiek zou gaan beheersen. Bovendien, Kennedy had voor opwinding gezorgd en daarmee de pers aan zijn kant gekregen. De media ontwikkelden zich tot intermediair tussen politicus en kiezer en de eerste diende zich daarop in te stellen. Maar ondanks de lessen die Nixon bereid was te leren, mislukte hij twee jaar later opnieuw, ditmaal voor het gouverneurschap van Californië, zijn thuis. De progressieve golf die in 1960 over Amerika was geslagen, was nog niet uitgewoed.

Dat weerhield de Republikeinse partij er niet van weer twee jaar later in plaats van Nixon de gewezen luchtmachtgeneraal en conservatieve senator van Arizona Barry Goldwater als presidentskandidaat te nomineren. Overigens met een electoraal debâcle als resultaat. Pas in 1980 zou het kiezersvolk rijp zijn voor het Goldwater-conservatisme: Ronald Reagan was toen zijn keuze voor het Witte Huis.

Nixon zag het politieke bedrijf eerder als de uitkomst van enige berekening en veel toeval dan als een mechanisme voor het bereiken van bepaalde doelen. Uit een dagboek dat hij blijkens zijn memoires bijhield tijdens de campagne voor zijn records brekende herverkiezing in 1972, treedt de beroepspoliticus naar voren die hij in de eerste plaats wilde zijn. Terugblikkend op de niet voorziene nederlaag van twaalf jaar tevoren meende Nixon dat hij toen waarschijnlijk gewonnen zou hebben als hij beter had geweten hoe campagne te voeren - een opvallende erkenning van onvermogen gezien de krachtsverhouding destijds aan de startlijn.

Cuba en Vietnam zouden door een regering-Nixon waarschijnlijk anders zijn behandeld dan door het Kennedy-team. Castro en de Russen zouden geweten hebben wie hun tegenstander was. Maar voor hemzelf, noteerde Nixon, was het uiteindelijk goed afgelopen. Zonder de Cuba-crisis van 1962 zou hij gouverneur van Californië zijn geworden, vervolgens in 1964 presidentskandidaat voor zijn partij - en dan zou ook hij de verkiezingen hebben verloren. Hoewel, als hij, Nixon, in 1962 had gewonnen, zou Kennedy het jaar daarop misschien niet naar Texas zijn gegaan en had Oswald hem niet vermoord. En dan zouden de Democraten in 1964 niet van het martelaarschap van de vermoorde president hebben kunnen profiteren, zoals Lyndon Johnson tegenover Goldwater had gedaan.

Deze gemelijke en verwarde bespiegelingen werden opgeschreven in het jaar van de grote successen. Zij tekenen de Nixon uit de gedenkschriften van zijn naaste medewerkers, een tobber, een onder alle omstandigheden gesloten persoonlijkheid, geplaagd door een onoverwinnelijke onzekerheid die hem het optreden in het openbaar vergalde en die het hem onmogelijk maakte zelfs ernstige gevallen van insubordinatie en deloyaal gedrag persoonlijk te corrigeren. Zo kon de van fraude betichte vice-president Spiro Agnew zijn aftreden zolang uitstellen dat zijn ook met het oog op Nixons eigen aanstaande vertrek noodzakelijk geworden vervanging (door Gerald Ford) nauwelijks tijdig kon worden geregeld.

Nixon, de geïsoleerde piekeraar, maar ook de geestrijke staatsman die Amerika uit de stroomversnelling van het Vietnam-debâcle sleurde, en die tegelijkertijd een nieuwe, veelbelovende koers volgde in de wereldpolitiek. Hoewel de boeken over Vietnam pas na de feitelijke ineenstorting van de Zuidvietnamese strijdkrachten door opvolger Ford konden worden gesloten, had Nixon de weg vrijgemaakt waarlangs de VS zich zonder al te ernstige kleerscheuren hebben kunnen redden.

De lange tijd voor hypocriet versleten 'vietnamisering' van de oorlog en de gewraakte bombardementen op het Cambodjaanse grensgebied vormden de begeleiding van Amerika's strategische terugtocht uit de Indochinese troebelen. Een terugtocht die onvermijdelijk was geworden door de uitzichtloosheid van het conflict en de daaruit voortgevloeide gespletenheid aan het thuisfront. Wellicht is toen erger voorkomen: althans, doemdenkers voorzagen dat de eerste nederlaag in de geschiedenis van de Verenigde Staten in een door gefrustreerde militairen aangewakkerde fascistische nachtmerrie zou eindigen.

Spectaculairder dan 'Vietnam' was overigens de opening naar China, door Nixon gewild en door diens adviseur Kissinger in 1971 tijdens de geheime missies (Marco) Polo I en II naar Peking voorbereid. Achteraf lijkt normalisering van de betrekkingen met een staat die een kwart van de wereldbevolking binnen zijn grenzen heeft, vrij vanzelfsprekend. Maar waar Vietnam Amerika's trauma was van de late jaren zestig, was China dat van de late jaren veertig. Volgens velen, zeker in Nixons partij, had de regering-Truman nationalistisch China, het troetelkind van de christelijke missie en van de Kwomintang-adepten rondom het weekblad Time, nodeloos aan de communisten prijsgegeven.

Samen met de Noordkoreaanse overval op het Zuiden, enkele aan het licht gebrachte gevallen van atoomspionage die de aanmaak van de Sovjet-bom zouden hebben bespoedigd en Stalins blokkade van West-Berlijn deed de overwinning van Mao's boerenlegers de zogenaamde 'red scare' ontstaan, het geloof als zou de wereldrevolutie Amerika naar het leven staan en al tot binnen zijn grenzen zijn doorgedrongen. Senator Joseph McCarthy's heksenjacht (1950-1954) op vermeende communisten in het State Department en in Amerika's intellectuele en artistieke kringen was er een rechtstreeks gevolg van.

Nixon zelf had vanaf 1947 zijn eerste politieke sporen verdiend als lid van een speciale commissie van de Commissie voor On-Amerikaanse Activiteiten van het Huis van Afgevaardigden, belast met de voorbereiding van anticommunistische wetgeving. Een reis naar Europa opende hem naar eigen zeggen pas goed de ogen voor het communistische gevaar, voor de gedrevenheid waarmee de communisten hun doelen nastreefden.

Maar het was de zaak tegen de gerenommeerde advocaat en diplomaat Alger Hiss, die de jonge afgevaardigde zijn eerste algemene bekendheid verschafte. Een obscure getuige, Whittaker Chambers, verklaarde onder ede voor Nixons commissie dat hij Hiss in de jaren dertig had gekend als lid van een communistische cel die de regering trachtte te infiltreren. Hiss had sinds 1933 belangrijke posten bekleed in Roosevelts regering, was secretaris-generaal geweest van de conferentie in San Francisco waar de Verenigde Naties werden opgericht en had de president als adviseur vergezeld naar de conferentie van Jalta met Stalin en Churchill.

Nixon, afkomstig uit een gezin van eenvoudige Quakers, had na zijn studie aan Duke University Law School, Durham, North Carolina, carrière gemaakt in de partij van het zuivere kapitalisme. Nu stond hij tegenover Hiss, een gevierde aristocraat die al als student in Harvard was opgevallen en die zich vervolgens als een van Roosevelts begaafde jonge medewerkers had ingezet voor de New Deal, de geslaagde omwenteling in Amerika's sociale verhoudingen. Nixon later: “Dat was mijn indruk van Hiss: hij was te minzaam, te glad, en te zelfverzekerd om een volstrekt betrouwbare getuige te zijn.”

De 'cultural shock' tussen beide mannen had niet duidelijker onder woorden kunnen worden gebracht. De confrontatie bezorgde Hiss een veroordeling wegens meineed en lanceerde Nixon als de veelbelovende jonge politicus op wie oorlogsheld Eisenhower vier jaar later een beroep deed om als zijn 'running mate' de Republikeinse rechtervleugel te verzoenen met het feit dat de presidentskandidaat zelf politiek een onbeschreven blad was.

Volgens het gedurende de Koude Oorlog geldende adagium dat progressief beleid door een politicus van rechts moest worden geïntroduceerd, was Nixon de aangewezen man voor de opening naar China. Het was in 1972 een verrassende manoeuvre, ook dankzij de geslaagde geheimhouding van de (langdurige) voorbereiding die de linkse critici voor een moment op het verkeerde been zette. Hier zat de man die dankzij de heksenjacht op progressieven zijn eerste faam had verworven, die nog steeds de Amerikaanse jeugd naar Vietnam stuurde, die arme Vietnamese boeren liet bombarderen, in ontspannen gesprek met de groten van de Chinese revolutie, voorzitter Mao zelf en zijn wijze secondant Zhou Enlai. En daarbij bleef het niet. Een paar maanden later viel de Amerikaanse president een vergelijkbare hartelijke ontvangst ten deel in het Kremlin van Leonid Brezjnev.

Later zouden de kenners van de leer der internationale betrekkingen spreken van de Chinese kaart: in de driehoeksverhouding der grootmachten waren de Amerikanen er in geslaagd de Chinezen aan zich te binden zonder de Sovjets te verliezen. Het riskante avontuur van Nixon-Kissinger had meer opgeleverd aan machtspolitieke winst dan iemand kon hebben verwacht. Maar in dat campagnejaar 1972 stelde Nixon zich op als de grote verzoener, als de leider die niet alleen zijn eigen land maar ook de kortgeleden nog aan Amerika's ondergang sleutelende rivalen een nieuwe toekomst naar ontspanning en vrede had gewezen.

Bij zijn terugkeer uit Moskou beloonde het Congres hem met een minutenlange staande ovatie. Enkele maanden later gunden de kiezers hem een overwinning die de ongekende zege van Johnson uit 1964 in de schaduw stelde, in het voorbijgaan de Democratische vredeskandidaat, George McGovern, vermorzelend. McGovern boekte het slechtste resultaat uit de geschiedenis van de presidentiële verkiezingen. Het schisma in de Amerikaanse samenleving over Vietnam scheen overwonnen, de oorlog tussen de generaties voorbij. Een gezegend Republikeins tijdperk kondigde zich aan.

Maar het noodlot wilde anders. Niet ten onrechte vergeleek Nixon de gebeurtenissen die naar zijn voortijdig aftreden leidden met een Griekse tragedie. Het noodlot lag in Nixons karakter zelf besloten. Alles wat de Democraten hem, zijn partij en het land hadden aangedaan, was geculmineerd in een traumatisch wantrouwen dat Nixon zelfs in het Witte Huis, het doel van zijn jarenlange eenzame worsteling, niet had weten te overwinnen.

In dat triomfantelijke verkiezingsjaar 1972 waarin de zege Nixon niet meer kon ontgaan, was de campagne voor zijn herverkiezing van een zeer bedenkelijk allooi. Bij de inzameling van geld voor het verkiezingsfonds werden de regels geschonden die de regering zelf ten behoeve van openheid en gelijke kansen had opgesteld. De Democraten werden te lijf gegaan met alle kwalijke trucs waaraan Amerika's politieke leven rijk is.

De chronische onzekerheid en het alles overheersende wantrouwen dat Nixon uitstraalde, inspireerden zijn medewerkers, evenzeer slachtoffer van de bewustzijnsvernauwingen die op dat moment Amerika teisterden, tot hun stupiditeiten. Zo werd besloten tot de amateuristisch uitgevoerde insluiping in een Democratisch verkiezingsbureau in het Washingtonse Watergate-gebouw teneinde te weten te komen wat de tegenstander in zijn schild voerde.

Niet dat kromme voorval, maar de wijze waarop Nixon en zijn directe raadgevers ermee omgingen nadat het met de arrestatie van de inbrekers openbaar was geworden, is het eigenlijke Watergate-schandaal geweest. De doofpot behoorde van dat moment af tot het vaste meubilair van Nixons Witte Huis. En hij werd volgepropt totdat de pers, de rechterlijke macht en de volksvertegenwoordiging de mannen rondom de president het vuur te na aan de schenen legden. De een na de ander viel om, de president zelf als laatste.

Onbevangen beschouwd had het drama nog wel een goede afloop kunnen hebben. Nixons krediet was vermoedelijk groot genoeg geweest om het schandaal van de inbraak zelf te overleven. Zoals Reagan er jaren later in slaagde om voldoende afstand te bewaren tussen zichzelf en Irangate. Maar Nixon werd geleid door een merkwaardig mengsel van onzekerheid en arrogantie van de macht. Dat bracht hem er toe met leugens en regelrechte intimidatie van zich af te slaan. Zo verspeelde hij zijn presidentschap, de prijs van zijn leven, en de hem op grond van zijn prestaties toekomende plaats in de Amerikaanse geschiedenis.

Nixons eigen commentaar op zijn nederlaag in 1960 heeft ook geldigheid voor zijn ondergang veertien jaar later: “Als wij toen evenveel hadden geweten over campagnevoeren als nu zouden we waarschijnlijk hebben gewonnen (...)”. Dan had hij bijvoorbeeld geweten dat overdreven achterdocht gewoon fatsoen kan vernietigen.

    • J.H. Sampiemon