Live aan de leiband; De verslaggever en zijn nieuws

Peter Arnett: In de frontlinie: oorlogsreporter van Vietnam tot Bagdad 416 blz., geïll., Balans 1994, vert. Jaap van der Wijk (Live from the battlefield, 1994), ƒ 39,50Mort Rosenblum: Who stole the news?

298 blz., John Wiley 1993, ƒ 52,15Porter Bibb: It ain't as easy as it looks

468 blz., geïll., Virgin 1994, ƒ 49,70

'In de frontlinie: oorlogsreporter van Vietnam tot Bagdad' is vanaf 27 april in de boekhandel verkrijgbaar

Op woensdag 27 april a.s. wordt Peter Arnett geïnterviewd door Raymond van den Boogaard, in De Rode Hoed, Keizersgracht 102, Amsterdam, aanvang 20.00 uur. Inlichtingen en kaarten: Stichting John Adams Instituut tel. 020 - 6247280.

Tijdens de Golfoorlog verbleef verslaggever Mort Rosenblum van Associated Press in een hotel te Dahran. Midden in de nacht werd hij uit San Francisco wakker gebeld door een vriendin die panisch naar zijn toestand informeerde. “Hoezo?” antwoordde Rosenblum. “CNN!” riep ze. Rosenblum, die 'als iedere moderne oorlogsreporter' sliep met de afstandsbediening binnen handbereik, zette de nieuwszender aan. Hij zag een collega-verslaggever in Dahran, met een gasmasker op en gekleed in een ruim gaswerend pak, die sprak van een dreigende Iraakse aanval met chemische wapens.

Rosenblum was hoogst verbaasd, want de oorlog was inmiddels in een fase beland waarin die mogelijkheid door deskundigen werd uitgesloten. Toch vreesde de reporter even zijn laatste adem in een rechtstreekse tv-uitzending te moeten uitblazen. “Blijf aan de lijn”, riep Rosenblum. Hij liep naar het raam, schoof het gordijn opzij en zag de CNN-collega in vol ornaat zijn stand-up voltooien, omringd door een in luchtig textiel geklede cameraploeg.

Het karakter van de nieuwsvoorziening is wezenlijk veranderd sinds de directe tv-verslaggeving haar intrede deed. De gebeurtenissen worden nu rechtstreeks en onverwerkt in de huiskamer gedeponeerd, of het nu de ontruiming van het Plein van de Hemelse Vrede in Peking, de strijd om het Witte Huis in Moskou of de slag om het landhuis van een sekte in Waco betreft. Dit heeft aanzienlijke gevolgen voor zowel de verslaggever als het publiek. De reporter is in plaats van waarnemer aangever geworden. Belangrijker is te tonen wat er gebeurt dan waarom het gebeurt. Desnoods zet de reporter de gebeurtenissen naar zijn hand: zoals de CNN-verslaggever in Dahran, of een cameraploeg die neo-nazi's in Rostock betaalde om de Hitler-groet te brengen, of een andere die bij de Amerikaanse landing in Somalië arrestaties ensceneerde.

Kijkcijfers

Achter de coulissen van de Golfcrisis, de eerste oorlog waarvan de gevechtshandelingen rechtstreeks te zien waren, werd een keiharde strijd om de kijkcijfers gestreden. Mede dank zij de aanwezigheid tot het bittere einde van verslaggever Peter Arnett te Bagdad bereikte CNN waar het al ruim tien jaar naar streefde: wereldwijde hegemonie in de directe tv-nieuwsvoorziening. Het station heeft inmiddels een aantal concurrenten, maar terwijl verwacht kon worden dat de toename van direct beschikbare bronnen de kijker beter zou informeren, dreigt een toenemende apathie, constateert Mort Rosenblum in zijn boek Who stole the news? Televisienieuws is net als de tv-quiz of talkshow een consumptie-artikel geworden, dat vooral spannend en toegankelijk moet zijn. Tv-nieuws en -entertainment groeien langzamerhand naar elkaar toe; 'docudrama', 'infotainment' en 'true-crime-verfilming' enerzijds en hapklaar verpakte nieuwsflitsen aan de andere kant maken dat voor veel kijkers de notie van het onderscheid tussen feiten en fictie afneemt.

Men krijgt nu 24 uur per etmaal het wereldleed opgedist, maar begrijpt van de gebeurtenissen steeds minder, stelt Rosenblum; langzamerhand ontglipt het nieuws ons. In zijn boek licht hij de nieuwsmachinerie door en doet hij een beroep op het kritische vermogen van de nieuwsconsument. Rosenblum, behalve een door de wol geverfde AP-correspondent ook oud-hoofdredacteur van de Herald Tribune, geeft in zijn boek een treffend beeld van een steeds weer blindelings naar een nieuwe brandhaard trekkend legertje verslaggevers, dat zich - terwijl de berichtgeving door de technologische vernieuwing alleen maar versnelt - steeds meer laat leiden door wat het thuisfront belangrijk vindt. Hij noemt het voorbeeld van ex-Joegoslavië, waar men nu over de verslaggevers struikelt maar waar vóór het uitbreken van de oorlog nauwelijks een reporter te bekennen was. Hij bespeurt een toenemende tendens naar incidentenjournalistiek, terwijl het Balkanconflict toch lang tevoren was te voorzien, zo weet Rosenblum dank zij zijn eigen reportages ter plekke.

Zsa Zsa Gabor

Op zijn speurtocht naar wat mis ging in de verslaggeving behandelt Rosenblum niet alleen uiteenlopende mediatypen, ook staat hij stil bij verschillende journalistieke mechanismen. Hij signaleert bijvoorbeeld een toenemende neiging onder de beslissers bij krantenbedrijven en tv-stations om blind te varen op de wens van het publiek; dat zou zich vertalen in het vooral prominent brengen van lokaal nieuws, de teloorgang van de onderzoeksjournalistiek, het uit het buitenlands aanbod hoofdzakelijk kiezen van onderwerpen die hoog op de internationale politieke agenda staan en het vrijwel negeren van wat zich afspeelt op het Afrikaanse continent. In 1989, heeft Rosenblum berekend, hebben de Amerikaanse nieuwsmedia gezamenlijk meer aandacht besteed aan het proces tegen Zsa Zsa Gabor wegens het slaan van een agent in Beverly Hills dan aan alle landen in Afrika tezamen.

Door het feit dat steeds minder wordt gelezen (“Tweederde van de Amerikanen ontleent zijn informatie aan de televisie”) en de daarmee gepaard gaande verschuiving van de reclamegelden naar de audiovisuele media worden kranten en tijdschriften op het tweede plan gedwongen. Rosenblum schetst het fenomeen van de kranteverslaggever die tijdens de Golfoorlog bij een bomalarm uit de schuilkelder zijn bureauredacteur belt, en van hem een kleurrijk verslag krijgt van de gebeurtenissen die zich boven zijn hoofd afspelen. De redactie in Milwaukee kreeg aan de hand van de rechtstreekse tv-verslagen en berichten van de verschillende persbureaus een veel duidelijker beeld van de situatie dan hun man aan het front.

Rosenblum verhult niet als verslaggever-oude-stijl gefrustreerd te zijn door de nieuwe media-ontwikkelingen; hij prijst de mogelijkheden ervan maar tegelijkertijd waarschuwt hij voor de kwalijke effecten: de kritische verslaggeving maakt plaats voor een gouvernementele, volgzame journalistiek. 'Erbij zijn' wordt belangrijker dan het doorgronden, laat staan duiden van een ontwikkeling. En naarmate de 'gatekeepers' zich meer spiegelen aan de concurrentie, wint de 'protocollaire' berichtgeving het van de individuele, onafhankelijke bevindingen van de gedreven journalist. Zo sukkelt de waakhond van weleer steeds vaker achter de feiten aan, luidt Rosenblums - enigszins gechargeerde - conclusie: de reporter als kofferdrager die zijn gehoor onderdompelt in onwetendheid. In dit doemscenario fungeren de autoriteiten, die steeds gewiekster het persvolk ringeloren met restricties, georganiseerde 'pools' en 'persbriefings' als lachende derde.

Televisie, betoogt Rosenblum in zijn boek, is per definitie niet geschikt om een conflict in al zijn nuances te behandelen. Waar dit zap-medium bij uitstek wel bij vaart zijn overzichtelijke probleemstellingen en handzame 'soundbites'. Schokkende beelden van oorlogshandelingen kunnen meer bewerkstelligen dan het meest doorwrochte debat over de achterliggende problematiek. Zie de beelden van de mishandelde krijgsgevangenen in de Golfoorlog, van de in triomf rond het lijk van een neergeschoten Amerikaanse piloot dansende Somaliërs of van de bloedige aanslag op een markt in Sarajevo, die de publieke opinie direct beïnvloedden. Marshall McLuhan lijkt met zijn betoog dat 'het medium de boodschap is' postuum gelijk te krijgen. Dit sombere toekomstperspectief schetst Rosenblum met kracht van overtuiging. Zijn boek leunt echter zwaar op de Amerikaanse journalistiek, al gelden volgens de auteur in dit métier steeds meer universele wetten. Als Amerika inderdaad ons voorland is, dan breken er ook in Nederland ooit gouden tijden aan voor de tabloid-journalistiek.

Arnett

Voor de Amerikaanse journalist Peter Arnett geldt dat hij de door Rosenblum beschreven veranderingen in de journalistiek van de afgelopen decennia als geen ander in de voorste linie heeft meegemaakt. Na rondzwervingen in Australië en Zuidoost-Azië werd Arnett correspondent voor Associated Press te Laos. Maar zonder dat de persbureaus het van elkaar wisten, fungeerde de ondernemende reporter er tevens als 'stringer' voor UPI en Reuter. Via Bangkok en Indonesië belandde hij in het land dat zijn journalistieke leven bepaalde: Vietnam. Daar ontdekte hij dat de oorlogsverslaggeving hem op het lijf geschreven was. In 1981, kort na de oprichting van CNN, verruilde hij het blocnote van Associated Press voor de camera van het 'Chicken Noodle News' (zoals CNN door de concurrentie in de begintijd neerbuigend werd genoemd) te Atlanta, Georgia.

Het station ging 1 juni 1980 voor het eerst de lucht in, na in ruim een jaar uit de grond te zijn gestampt door mediamagnaat Ted Turner. De ontstaansgeschiedenis van CNN is nauwgezet gedocumenteerd in It ain't as easy as it looks, een biografie van Turner door Porter Bibb, voormalig Witte-Huis-redacteur van Newsweek. Ted Turner wordt in het boek geportretteerd als een charismatische wereldverbeteraar, bezeten van baseball, zeiljachten en vrouwen, die met succes opbokst tegen de monopolies van het toenmalige media-establishment. 'The news is the star', luidt het motto van zijn 24-uurs nieuwszender, waarin aanvankelijk niemand geld durft te steken.

Ted Turner vertoont overeenkomsten met de Italiaanse mediamagnaat Silvio Berlusconi in zijn politieke ambities, bemoeienis met de topsport en megalomanie, maar in zijn visie valt meer sociale betrokkenheid en idealisme te bespeuren. Turner vertoont zich graag met de groten der aarde en verklaart met zijn zender de leiders nader tot elkaar te willen brengen, de vrede te bevorderen en milieuvervuiling tegen te gaan. Het personeel van 'CNN-headquarters' distantieert zich van dergelijke uitspraken, zich beroepend op zijn redactionele onafhankelijkheid. Niet onverstandig, want wat CNN in bijna veertien jaar ook tot stand heeft gebracht, in elk geval geen uitzicht op een schoner milieu of de wereldvrede.

Peter Arnett stelde zijn professionele herinneringen te boek nadat hij tijdens de Golfoorlog als laatste tv-verslaggever in Bagdad wereldfaam verwierf. Live from the battlefield is het meeslepend relaas van een gedreven 'war correspondent', die zich in de afgelopen 35 jaar - vaak met risico voor eigen leven - temidden van tal van brandhaarden begaf. Het interessantste deel van het boek is de Vietnam-episode: hoe bij een onbevangen jongeman uit Nieuw-Zeeland met stijgend afgrijzen de zekerheid groeit dat de oorlog, waarvan hij dertien jaar getuige was, onherroepelijk in een Amerikaanse catastrofe eindigt.

Zoals Harry Mulisch ooit heeft betoogd dat hij de Tweede Wereldoorlog 'is', zo vereenzelvigde Peter Arnett zich met het Amerikaanse avontuur in Vietnam. Hij verbleef niet alleen in het land tijdens opkomst, toenemende bemoeienis en verval van de VS-interventie, hij huwde er ook een Zuidvietnamese vrouw en kreeg er twee kinderen. Hij kende de taal, de cultuur en de volharding van het Vietnamese volk en registreerde - tot groeiende ergenis van de autoriteiten in Washington - de misrekeningen, wandaden en vergissingen in het conflict. Voor Arnett geldt één spijkerhard credo: zo veel mogelijk zien en verslag doen - de interpretatie is aan anderen. Ook in zijn boek blijft hij lang de observator, zelden valt hij uit zijn rol van onpartijdig waarnemer of geeft hij blijk van cynisme - hoogst opmerkelijk voor iemand die verscheidene malen letterlijk tot aan de enkels in het bloed van gesneuvelde soldaten stond.

Het boek geeft een nauwgezet verslag van groeiende Amerikaaanse oorlogsinspanning, resulterend in een macaber te hoop lopen tegen een gestaag oprukkende Vietcong. Als het even kon was Arnett erbij: hij nam deel aan acties en patrouilles en registreerde met eigen ogen de toenemende verliezen aan Amerikaanse en Zuidvietnamese zijde. Tot zijn groeiende verbazing stonden zijn verslagen steeds vaker haaks op de optimistische, triomfantelijke communiqués van de Amerikaanse gezagvoerders.

Arnett wordt wegens zijn 'subversieve verslaggeving' verscheidene keren op het matje geroepen door bevelhebbers, maar op handen gedragen door de soldaten die in zijn berichtgeving hun ontmoediging bevestigd zien. Na zijn verslag over experimenten met chemische wapens door het Amerikaanse leger en de lamentabele uitrusting van de gevechtseenheden wordt in 1965 in opdracht van president Johnson een regeringscommuniqué uitgevaardigd: Arnett zou 'onverantwoordelijk en bevooroordeeld' zijn en - zo schreef een medewerker van de president - “de VS meer schade berokkenen dan een heel bataljon van de Vietcong”. Zelf, zo schrijft hij, had hij zich nooit afgevraagd of de oorlog goed of fout was. “Die vraag kwam gewoon niet ter sprake, niet bij de soldaten en niet bij mijn collega's, want we zaten er veel te dicht bovenop. We hadden te veel vrienden verloren, en waren niet bereid toe te geven dat hun opoffering voor niets was geweest.”

Eind jaren zestig, als de 'tactiek van de verschroeide aarde' beleidslijn wordt, constateert Arnett bij de militaire voorlichters een toenemende weerzin om de oorlog te verdedigen: dat de strijd ontaardt wordt langzamerhand alle betrokkenen ter plaatse duidelijk. In 1967 schrijft Arnett een artikel over 'de Vietnamese patstelling': nog meer troepen zenden zou door het Amerikaanse volk niet worden aanvaard, maar voortzetting van de oorlog zou het aantal van inmiddels dertienduizend gesneuvelde Amerikaanse militairen alleen maar doen toenemen. “Mijn bijdrage was niet meer dan een ademtocht in de orkaan van kritiek”, constateert Arnett terloops.

Pas na een bloedige confrontatie op 'Heuvel 875', de 'verlaten heuvel des doods' waar Amerikaanse troepen in een gruwelijke hinderlaag liepen, vallen Arnett de schellen van de ogen: hij stond temidden van talrijke Amerikaanse gevallenen en vernam van slechts één gedode Noordvietnamese soldaat. “Nog nooit eerder had een Amerikaanse actie in Vietnam meer levens gekost dan de operatie Dak To, maar de autoriteiten spraken wederom van een grote overwinning.”

Golfoorlog

Een reeks van oorlogsreportages later en na een kort intermezzo als Witte-Huis-correspondent, beleefde Arnett zijn finest hour tijdens de Golfoorlog. Als laatste tv-journalist te Bagdad, terwijl hij onder permanente bewaking van een Iraakse veiligheidsbeambte stond, kreeg Arnett het wederom aan de stok met Amerikaanse militaire officials. Hij bezocht een door een bombardement getroffen fabriek en constateerde dat er louter babymelkpoeder werd gemaakt. Hij was getuige van de gruwelijke gevolgen van een bom in een mudvolle schuilkelder. Zo logenstrafte hij de door de legervoorlichters zorgvuldig gecreëerde mythe dat in deze video-oorlog dank zij de modernste technologie uitsluitend militaire doelen werden getroffen. Maar ook een deel van het civiele thuisfront verweet hem partijdigheid, zeker nadat hij een 'exclusief' vraaggesprek met Saddam Hussein had gemaakt. Een Congres-lid uit Pennsylvania noemde hem “de Joseph Goebbels van Saddam Husseins regime”.

De wakkere reporter laveert in de eerste weken van de Golfoorlog behendig tussen de rol van onafhankelijk correspondent en die van gijzelaar van Hussein. Steeds tracht Arnett via de satelliettelefoon iets meer informatie los te laten dan is toegestaan. Maar in de loop van zijn verslag wordt duidelijk dat hij in de val van zijn eigen gretigheid is getrapt. Dit soort berichtgeving, hoe spectaculair ook voor de kijkers en hoe koelbloedig ook door Arnett volbracht, is onderhevig aan precies het soort breidel waarvoor Rosenblum waarschuwt: de waakhond die wordt bewaakt. Het is weliswaar spannend om te lezen hoe Arnett keer op keer bewakers en concurrenten te slim af is, maar door het ontbreken van enige zelfkritiek of reflectie is dit deel van zijn boek niet meer dan een journalistieke schelmenroman.

    • Tom Rooduijn