Koppensnellers in het paradijs

Philippe Descola: Les lances du crépuscule. Relations Jívaros, Haute-Amazonie

506 blz., geïll., Terre Humaine/Plon 1994, ƒ 78.-(pb), ƒ 88.- (geb).

De Jívaros, een groep Indiaanse stammen aan de bovenloop van de Amazone, hebben in Nederland enige vermaardheid verworven dank zij hun optreden in Kuifje. In Het gebroken oor is de razende reporter korte tijd de gevangene van een stam, door Hergé tot Bibaro's omgedoopt, die zich bekwaamt in het doen verschrompelen van gesnelde koppen. Die kunst, schampert de Franse antropoloog Descola, is ook ongeveer de enige algemeen bekende wetenswaardigheid over dat interessante volk. Toch ook weer niet zo'n onbelangrijke gewoonte zou een buitenstaander kunnen menen, die tot voor niet zo lang geleden net als Kuifje een gerede kans liep een bezoek aan de Jívaros met een geminiaturiseerd hoofd te bekopen.

Descola heeft twee jaar onder de Jívaros geleefd in een landschap waarvan de Conquistadores beurtelings als de 'groene hel' en het paradijselijk 'Dorado' berichtten. Dat persoonlijk avontuur èn de pogingen om antropologische redeneringen voor een groot publiek toegankelijk te maken gaven de auteur een plaats in een boekenreeks die uitdrukkelijk tot doel heeft onder de volkeren begrip te kweken en vooroordelen weg te nemen, Terre Humaine.

Bewondering

Anders dan andere 'primitieven' hebben Indianen altijd op een zekere bewondering onder westerlingen kunnen rekenen. Of ze zich daarin nu werkelijk onderscheidden van Afrikanen of Aziaten zij in het midden gelaten, maar ze zijn altijd geprezen voor hun harmonieuze verhouding met de natuurlijke omgeving, hun waardige omgangsvormen en hun moed in de strijd. En in veel opzichten voldoen de Jívaros, van wie enige duizenden nog betrekkelijk zelfstandig in het Amazone-oerwoud leven, aan dit beeld. Hun tuinbouw en jachtbedrijf oefenen ze met een geduld en zorgvuldigheid uit die voorbeeldig aandoen vergeleken met de grove exploitatie van Amazonië door de moderne veetelers en bosbouwers, en de rituele begroetingen waarop ze elkaar onthalen herinneren sterk aan de edele roodhuid uit de jeugdbibliotheek.

De strijdwijze daarentegen die de Jívaros erop nahouden, vormt zelfs voor de gestaalde antropoloog een steen des aanstoots. Ze mogen het koppensnellen er dan al enige tijd aan hebben gegeven, hun samenleving wordt geteisterd door onophoudelijke vendetta's die van alle ridderlijkheid gespeend zijn. Moorden en rooftochten sparen ook de naasten niet, integendeel, een groot deel van de raids lijkt het onmiddellijke gevolg van ruzies over uitgehuwelijkte zusters en dochters. Hun dodelijke spel doet onwillekeurig denken aan de 'erezaken' die de mafia in de kantlijn van haar normale business regelt. De organisatie van de Jívaros is echter zó veel losser dan die van de mafia, dat er weinig temperende werking van mogelijke capo's of godfathers uitgaat.

Omdat de stam op geen enkele wijze boekhouding van zijn verleden houdt is de schade die hij van deze gewelddadige anarchie ondervonden heeft niet goed te meten, maar Descola schat dat nog in de jaren vijftig één van de twee mannen ten offer viel aan bloedwraak.

Al eerder, in verband met de bloeddorstige Yanomamö-Indianen die een slordige duizend kilometer oostelijker wonen, hebben volkenkundigen zich het hoofd gebroken over de ongerijmdheid van zo'n permanente burgeroorlog. Enkele van de sindsdien aangedragen verklaringen veronderstellen dat het oerwoud, in weerwil van zijn rijkdom aan planten en dieren, eigenlijk maar aan een zeer beperkt aantal mensen voedsel kan verschaffen. Maar Descola, als rechtgeaarde leerling van de grondlegger van het Franse structuralisme, Claude Lévi-Strauss, negeert deze malthusiaanse uitleg en zoekt een antwoord in de ingewikkelde tegenstrijdigheden die het verwantschapsstelsel de Jívaros oplegt.

Die moedige poging om tegen de stroom van een 'materialistisch paradigma' op te roeien krijgt echter iets onwaarschijnlijk lugubers als Descola in alle ernst concludeert dat de beruchte gesnelde kop eigenlijk een kind voorstelde: een soort pop, waarmee de Jívaros losjes konden omgaan. In hun onderling verkeer werden zij namelijk altijd gehinderd door lastige verwantschappelijke verplichtingen. Als men dergelijke theoretische uitweidingen met wat korrels zout neemt, blijft een prachtig verhaal over dat de lezer een blik gunt op het pijnlijke leven in het paradijs, op de Tristes Tropiques zoals Lévi-Strauss zijn kennismaking met de Amazone ooit betitelde.