'Ik verlang naar mijn woongebied en mijn suikerriet'

Nog lang niet in alle delen van KwaZulu is men op de hoogte van Buthelezi's beslissing mee te doen aan de verkiezingen in Zuid-Afrika. Daarom blijft het gevaarlijk op het platteland.

NDWEDWE, 23 APRIL. Laat U vooral niet meeslepen door de euforie ontstaan na het politieke akkoord, waarschuwt de lokale bestuurder van het dorpje Ndwedne in KwaZulu iedere waarnemer die komt toezien op de Zuidafrikaanse verkiezingen. “Het is hier nog steeds heel gevaarlijk, ga niet zonder begeleiding van de politie het platteland op”, luidt zijn advies. “Vele mensen hier hebben het goede nieuws over de deelname van Inkatha aan de verkiezingen nog niet vernomen. Zij leven hier geïsoleerd en bezitten geen radio. Als de jongeren ook maar iemand zien die iets met de verkiezingen van doen heeft, dan gaan ze schieten.”

Een buitenlandse waarnemer die sinds een maand in KwaZulu en de omringende provincie Natal verblijft en die het ergste politieke geweld tussen Inkatha en het Afrikaanse Nationale Congres van dichtbij meemaakte, zag hoe sinds woensdag de spanningen in het gebied afnamen. Hij spreekt over een diepe zucht van verlichting onder de bewoners. Maar aan de onderlinge haat, de gewelddadige anarchie en aan de activiteiten van milities en bandieten komt met een politiek akkoord op het hoogste niveau niet onmiddellijk een einde. “Bij wegversperringen van aanhangers van de twee politieke partijen trekken jongeren als in een reflex nog steeds direct hun pistool als ze iemand zien die iets met de verkiezingen te maken heeft. Het verschil is, dat ze nu niet meer schieten”, zegt hij met een cynisch lachje.

De met suikerriet beplante heuvels en valleien rond Ndwedwe waren enkele dagen geleden nog een slagveld tussen Inkatha- en ANC-aanhangers. Ndwedwe is zuiver Inkatha-gebied en geen enkele rivaliserende partij, noch vertegenwoordigers van de Onafhankelijke Verkiezingscommissie (IEC) konden er hun gezicht laten zien. De politie van het thuisland KwaZulu, waar Inkatha-leider Buthelezi aan het hoofd staat, droeg daar zorg voor. Vandaag voor het eerst kunnen IEC-vertegenwoordigers aan hun voorlichting over de verkiezingen beginnen. Door tijdgebrek kon van tevoren geen bijeenkomst worden georganiseerd, daarom besluiten ze bewoners op te zoeken bij een kerkdienst.

Iedere vrijdag komen de vrouwen van Ndwedwe rond het middaguur bijeen. Ze ontvangen van de Methodistenkerk een bord voedsel en dan gaan ze zingen. En bij zingen in Afrika hoort swingen. De tweehonderd dames in hun rode jasjes en zwarte rokken en zwarte kousen wiegen gedreven met hun heupen en zwaaien hun handen in de lucht. De witte slabbetjes op hun schouders wapperen mee op het ritme van de muziek. Als de Heer uitbundig is geprezen, nemen de IEC-medewerkers het toneel over.

Het grootste probleem, zo blijkt uit de discussie met de aanwezigen, vormen de identiteitskaarten. De politie van KwaZulu confisqueerde de laatste maanden in opdracht van Inkatha vele identiteitskaarten, om zo te voorkomen dat mensen zouden gaan stemmen. Nu Buthelezi op het laatste moment alsnog op democratische wijze de machtsstrijd met zijn ANC-tegenstanders wil aangaan, zitten veel van zijn aanhangers zonder identiteitsbewijzen. Om op korte termijn het probleem op te lossen, wil de IEC de komende drie dagen tienduizenden speciale kiezerskaarten uitreiken in KwaZulu, opdat de bewoners toch woensdag en donderdag naar de stembus kunnen. De vrouwen beloven morgen zo'n kaart te komen halen en zij zeggen toe te gaan stemmen. Dan verwijderen ze zich weer om verder te zingen.

Dertig kilometer van Ndwedwe, bij de stad Verulam, zijn de geesten minder goed gestemd. Omringd door rollen prikkeldraad zitten jong en oud droefgeestig voor zich uit te staren, enkele vrouwen liggen verveeld in hun witte tenten, alleen de kinderen zijn vrolijk. Dit zijn de slachtoffers van het geweld van Inkatha. “Aanhangers van Buthelezi staken vorige maand mijn huis in brand”, vertelt Meshack Mngadi, “mijn vader werd vermoord.” In zijn tent in dit kamp voor ontheemden heeft hij een affiche van ANC-leider Nelson Mandela opgeprikt.

Alle inwoners van het kamp vertellen een gelijkluidend verhaal: zij sloegen op de vlucht voor Inkatha en trokken naar Natal uit angst voor de politie van KwaZulu. Zij beschuldigen de plaatselijke Inkatha-leider Mgayela en diens militie ervan een systematische campagne van geweld te voeren tegen ANC-aanhangers. “Zelfs in dit kamp voelen we ons niet veilig”, vertelt de 30-jarige Tham Dlamuka. “Mgayela heeft gedreigd ons ook hier te zullen aanvallen. De Zuidafrikaanse politie weigert agenten te stationeren om ons te beschermen. We vrezen voor ons leven.”

Tham toont zich bereid ons zijn woonplaats, een uur rijden verderop, te laten zien. “Hebben jullie een geweer bij je?”, wil hij eerst weten. Voorin de auto wil hij niet zitten, want dan zouden Inkatha-aanhangers hem gemakkelijk kunnen herkennen. De ontheemden bij Verulam blijken niet te hebben overdreven. De vernielingen in het prachtige landschap van KwaZulu doen denken aan taferelen op de heuvels van Burundi en Rwanda. Hier heeft echter niet, zoals in de twee Middenafrikaanse staatjes, de zuiveringen onder de bevolking plaats op etnische maar op politieke grondslag. Iedereen behoort hier tot het Zulu-volk. Het ANC is in de minderheid, aldus Tham. “Kijk, daar loopt de grens tussen ANC en Inkatha-gebied”, wijst hij naar een riviertje. In het Inkatha-gedeelte leven mensen, het ANC-gebied onderscheidt zich door verbrande huisjes en doordat vrijwel alle bewoners er zijn weggetrokken.

We rijden langs de plaatselijke drankwinkel: de deuren zijn gesloten. “De eigenaar werd vermoord, want hij was lid van het ANC”, weet Tham. Zelfs de kerk blijkt verlaten: de priester sloeg op de vlucht. De meeste woningen veranderden in ruïnes. Naast de resten van een huis ligt een graf: de zonen waagden het terug te keren om hun gedode vader in diens geboortegrond te begraven.

Er heerst een enorme intolerantie in KwaZulu/Natal, waaraan zowel plaatselijke ANC- als Inkatha-leiders schuldig zijn. Na tien jaar strijd, waarbij tienduizend slachtoffers vielen, is de politieke haat diep ingeslepen. Een sensationeel politiek akkoord, ja zelfs vrije verkiezingen voor het eerst in de Zuidafrikaanse geschiedenis, kunnen daaraan geen snel einde maken. Tham blijft de Inkatha-leider wantrouwen: “Buthelezi is geen betrouwbaar politicus, hij heeft financiële belangen in het nationale lijkenhuis, daarom zal het moorden doorgaan”, merkt hij op zonder de indruk te wekken een grapje te maken. Als we terugrijden naar zijn vluchtelingenkamp zegt hij dromerig: “Ik verlang terug naar mijn woongebied en naar mijn suikerriet. Wat ik verwacht van het nieuwe Zuid-Afrika? Ik wens veiligheid, ik wens dat ik weer kan inslapen zonder doodsangst.”

    • Koert Lindijer