Het onvermoeibaar luctor et emergo van een 'elder statesman'

WASHINGTON, 23 APRIL. Ondanks zijn onvrijwillige vertrek uit het Witte Huis is Nixon niet roemloos en vergeten gestorven. Presidentsvrouw Hillary Clinton illustreerde gisteren overduidelijk de metamorfose die Nixon heeft ondergaan: van afgezette president tot 'elder statesman'. Hillary, voormalig staflid van de Watergate-commissie van het Congres, vergeleek de doodsstrijd van Nixon geroerd met die van haar vader, die een jaar geleden overleed.

President Clinton, die in 1969 nog tegen Nixons Vietnambeleid demonstreerde, was vannacht door zijn dood aangegrepen. Nu Clintons eigen buitenlandse beleid aan alle kanten instort, heeft hij een wijze adviseur op afstand verloren.

Achteraf bestaat er in het Amerika van Nixon een veel gunstiger beeld dan toen hij in 1974 voor de laatste keer in de presidentiële helikopter stapte. Zijn achtervolgingswaanzin, aangewakkerd door de grote oppositie ten tijde van de Vietnamoorlog, en zijn misbruik van overheidsorganen zoals de belastingdienst om zijn tegenstanders te pakken zijn snel vergeten. Zijn talenten en zwakten contrasteerden met die van presidenten na hem.

In buitenlands beleid blonk hij uit, zonder dat hij het binnenlandse beleid verwaarloosde. President Bush telefoneerde veel met wereldleiders maar op binnenlands gebied bleef hij passief. Nixon had niet alleen getalenteerde medewerkers in het buitenlandse beleid, zoals Henry Kissinger en de huidige Veiligheidsadviseur Anthony Lake, ook in het binnenlandse beleid had hij vernieuwende denkers in dienst, zoals de huidige Democratische Senator Daniel Patrick Moynihan. Nixon breidde de verzorgingsstaat uit door onder andere het verhogen van bijstand voor zwangere moeders en de voedselbonnentoelage voor armen. Net zoals Clinton nu, probeerde Nixon een algemene ziektekostenverzekering voor alle Amerikanen in te voeren maar het plan mislukte. Nixon zocht het politieke midden.

In de eerste regeringsjaren van de Republikeinse president Reagan ontstond er in Europa en in de Verenigde Staten heimwee naar de détente van Nixon. Het geweld in de zogenoemde periferie, zoals de bombardementen op Cambodja, werden daarbij op de koop toe genomen. De onervarenheid van president Carter, een voormalige gouverneur van Georgia, sprak voor zichzelf. President Ford, die in 1974 Nixon opvolgde, zette het beleid van zijn voorganger voort.

President Clinton heeft Nixon vaak geraadpleegd. Vlak voor zijn dood maakte Nixon een reis door Rusland en sprak hij met alle belangrijke politieke figuren daar, inclusief de oppositie. Zijn conclusies bracht hij later over aan president Clinton.

In maart 1992, een strategisch moment in de discussie over Rusland, organiseerde de Nixon-bibliotheek een conferentie over Rusland. Tevoren liet hij een eigen memo uitlekken, waarin hij de hoeveelheid Amerikaanse hulp aan Rusland “deerniswekkend” noemde. “De cruciale vraag in de jaren vijftig was 'wie verloor China?'. Als Jeltsin valt, dan zal de vraag 'wie verloor Rusland?' in de jaren negentig oneindig noodlottiger zijn”, schreef hij.

Tijdens de conferentie hield de toen 79-jarige met zijn stentorstem zonder notities een vloeiend pleidooi van meer dan een half uur voor hulp aan Rusland. “Je kunt niet aan tafel zitten als je geen fiches in de pot stort”, zei hij. Hij kreeg een daverend applaus. De toespraak viel zo op omdat president Bush zich altijd zo onbeholpen in flarden van zinnen placht uit te drukken.

De val en de daarop volgende verheffing van Nixon is een troost voor de Clintons, die nog door het Whitewatermoeras ploeteren. In Washington verdwijnen schandalen even snel als ze zijn gekomen, zelfs Watergate, het ergste in de recente herinnering.

Het lag ook in Nixons karakter om als feniks voor de zoveelste maal uit de as te herrijzen. Zoveel heeft hij gemeen met Clinton. Het is de constante strijd, het onvermoeibare luctor et emergo, dat Nixon tot een fascinerende Amerikaanse president maakt. Vlak na zijn vertrek in 1974 had hij last van trombose, waar hij bijna aan bezweek. Zodra hij genas, ging hij op reis.

Vaak waren zijn bezoeken met veel publiciteit en rumoer omgeven. Maar voor veel progressieven was Nixon nog een favoriet doelwit, de man die je zo heerlijk kunt haten. De Britse journalist David Frost werd beroemd door een geruchtmakend interview met Nixon. “Ik gaf ze een zwaard en ze draaiden het in de wond”, zei Nixon achteraf.

In 1978 bezocht hij de Oxford debatingclub en zijn limousine werd door Amerikaanse en Britse studenten met eieren en rotte tomaten bekogeld. In de zaal zelf was hij een groot succes. “Ik hou van de Russen, ik hou van de Chinezen, maar ik hou gewoon niet van communisten”, zei hij onder applaus. Soms leek zijn wereldtoer voor eerherstel wel een verkiezingstoernee. Aan het eind van zo'n bezoek zwaaide hij dan met de rechterarm aapachtig in de lucht en dan verscheen die karakteristieke glimlachgrimas op zijn gezicht. Ondertussen vergrootte hij zijn gezag in het buitenlandse vraagstukken door het schrijven van boeken - zonder de hulp van een ghostwriter - over de Koude Oorlog met de Russen, over grote wereldleiders.

Vorig jaar verscheen er in het progressieve weekblad The New Republic een stuk van een historica die in Hongaarse archieven had uitgevonden dat de voormalige diplomaat Alger Hiss, die door Nixon in de jaren vijftig in de House Unamerican Activities Committee voor communistische spion was uitgemaakt, ook werkelijk een communistische spion was. Een voormalige Amerikaanse spion voor de Russen, Havilland Field, die in Hongarije in ballingschap leefde, had dit aan de Hongaarse geheime politie verteld. Er lagen ook brieven van Hiss aan Field. Dat was tenminste nog eens een andere onthulling dan de Watergatetapes.