Herdenken

Het wordt hoog tijd de geschiedenisboeken uit de kast te halen, want de herdenking van D-Day, de aanloop naar de bevrijding van Europa die begon met de geallieerde landing in Normandië, belooft overal een gedrang van belang van pseudo-helden te worden. In elk land dringen zich de verkeerde figuren naar voren, die straks weer de verkeerde dingen gaan zeggen en de verkeerde dingen gaan doen. Wie die parade van foute festiviteiten wil vermijden, doet er goed aan nu al tijdig verder gelegen vakantiebestemmingen te zoeken. Ik weet niet wat erger is, de poeha die de Fransen ten toon spreiden bij de herdenking van D-Day, de oververtegenwoordiging van naoorlogse verzetshelden in Nederland of de pathetische veteranen van de 1ste Britse Airborne Divisie die zich in hun verweerde harnassen hebben gewurmd om straks boven de Ginkelse Hei weer met een parachute uit een vliegtuig te springen.

Om de Franse aanspraken op hun aandeel in het verzet tegen Hitler-Duitsland in historisch perspectief te zien, vormen de jeugdverhalen van Roald Dahl een gezonde opfrissing. Deze voormalige Britse fighter pilot rekent in die (nog steeds leverbare) memoires op grond van eigen ervaring af met de revisionistische mythe van het Franse militaire heldendom die nu om de D-Day-herdenking wordt gesponnen. De Franse legers waren in '40 niet meer dan de manke poot onder de 'geallieerde' legermacht. Slechts dank zij de Gaulle hebben de Fransen in het verdere verloop van de oorlog nog een figurantenrol kunnen spelen en met hangen en wurgen een plaats bemachtigd op de treeplank van de zegevierende karavaan.

Het kan daarom geen kwaad dat Roald Dahl in de memoires van zijn jeugd nog eens herinnert aan de funeste rol die de Franse marine in 1941 aan de zijde van de Duitsers in het gebied van de Middellandse Zee heeft gespeeld. De Britse marine had er zoveel last van dat ze genoodzaakt was de Franse oorlogsvloot in Oran met een bombardement buiten gevecht te stellen. De strijd verplaatste zich vervolgens naar Syrië en de Libanon waar de Engelsen opnieuw op gecombineerde Duits-Franse tegenstand stuitten en slechts met de hulp van Australische troepen erin slaagden de fanatieke nazi-gezinde Franse gevechtseenheden uit de weg te ruimen. “Deze vrijwel vergeten regionale oorlog”, schrijft Dahl, “heeft het leven gekost aan duizenden militairen, en daarom zal ik in ieder geval de Fransen van Vichy deze onnodige slachtpartij nooit vergeven.”

Een opfrissing van het geheugen zou ook goed zijn voor de Engelse Airborne-veteranen en voor de Nederlandse overheidsinstanties die nu in de weer zijn om de Slag om Arnhem-herdenking in september a.s. in een pretpark te veranderen. Ik kreeg de indruk dat de oude mannen die vijftig jaar geleden de Slag om Arnhem hadden overleefd en vorige week in het NOS-Journaal amechtig aan hun oefenparachute spartelden, vergeten waren dat de operatie-'Market Garden' niet het tuinfeest was geworden waarop ze zich tevoren hadden verheugd, maar een slachting. De bijeenkomsten die sinds 1945 jaarlijks ter herdenking van de slachtoffers zijn gehouden, hebben misschien te veel de legende gevoed dat de geallieerde troepen in Arnhem uit louter helden bestonden. In werkelijkheid was de Slag om Arnhem een gruwelijke geallieerde misrekening, een militair avontuur dat als gevolg van slechte voorbereiding en van roekeloosheid en incompetentie op de hogere bevelsniveaus bij voorbaat gedoemd was te mislukken.

In de Engelse literatuur is over deze op Nederlandse bodem geleverde veldslag veel romantische onzin geschreven die tot de legendevorming heeft bijgedragen, maar niet in de memoires en dagboeken van een aantal bevelvoerende officieren noch in die van de lagere goden. De werkelijkheid die in die tweede categorie literatuur is vastgelegd staat dichter bij onze verbeelding van de hel dan van een tuinfeest. Om te beginnen eindigde de Slag om Arnhem in een verpletterende geallieerde nederlaag die een vertraging van bijna zes maanden in de bevrijding van Europa veroorzaakte. In de tweede plaats legde die nederlaag een van de zwakste schakels van de geallieerde oorlogsmachinerie (de bevoorrading) bloot. In de derde plaats bracht de mislukking van de operatie-'Market Garden' een armzalig tactisch en organisatorisch vernuft van de Engelsen aan het licht.

Hoeveel heroïek de Engelsen zichzelf ook hebben toegeschreven, geschitterd hebben ze in Arnhem niet. Ze hadden de Duitse tegenstand schromelijk onderschat, ze waren niet in staat hun hele divisie op één dag door de lucht naar Arnhem over te brengen (in tegenstelling tot de Amerikanen, die dat bij Nijmegen wel konden), ze waren te licht bewapend en hun radioverbindingen werkten niet. Het ergste van alles was dat ook de bevelvoering van de 1ste Airborne Divisie niet door leidinggevende kwaliteiten uitblonk. De divisiecommandant, generaal-majoor Urquhart, was van huis uit geen parachutist en hij blunderde in de strijd door onnozel in vijandelijk gebied rond te struinen waardoor hij 40 uur van zijn hoofdkwartier werd afgesneden en de divisie al die tijd gedesoriënteerd was.

Ook generaal Hackett, destijds brigadecommandant, was niet de held die de naoorlogse verering van hem heeft gemaakt. Hij toonde geen vaste, besluitvaardige hand toen hij de leiding van Urquhart, die al als vermist was opgegeven, moest overnemen. Hij raakte trouwens gewond voordat hij een wapenfeit van betekenis op zijn naam had kunnen schrijven en hij zou als krijgsgevangene zijn afgevoerd als hij niet door de Edese ondergrondse uit het hospitaal (het St. Elisabeths Gasthuis) was ontvoerd. Hackett overleefde zijn onderduik dank zij de koelbloedige onverzettelijkheid van een aantal godvrezende Nederlanders (de familie De Nooy uit Ede), die hun leven en hun huis op het spel zetten om de Engelse 'brigadier' (op wiens verberging de doodstraf stond) uit de handen van de Duitsers te houden.

Over die mensen zou de herdenking van de Slag om Arnhem in de eerste plaats moeten gaan. Niet over de Britse helden die de strijd hebben overleefd, en Arnhem en omgeving in een rokende puinhoop hebben veranderd, maar over die gewone, ongewapende Nederlanders, die de stille krachten van de geallieerde oorlogsinspanning waren toen het erop aankwam. Met de organisaties van het Gelderse verzet, die bijna 200 ondergedoken Engelse militairen onderdak verschaften en door de linies naar hun troepen in het bevrijde Zuiden terugbrachten (mede onder leiding van een Amsterdamse joodse onderduiker, die nu 80 jaar is en still going strong), vormden zij het werkelijke heldendom achter de linies.

P.S. Met dank aan de geachte lezer die mij een fotokopie van Roald Dahls oorlogsherinneringen stuurde.

    • Harry van Wijnen