Ex-prof Van Gerwen: 'Vrije opvoeding botst met wielermentaliteit'

ROTTERDAM, 23 APRIL. Gerry van Gerwen slaakt een diepe zucht. Nee, de malaise in het Nederlandse wielrennen heeft het diepste punt nog niet bereikt. “Onze vrije opvoeding botst met de wielermentaliteit. Talenten breken niet langer door.” Alleen als de begeleiding van jeugdige renners fundamenteel verbetert, meent Van Gerwen, gloort er over een paar jaar misschien weer hoop.

Als coördinator van de Stichting Bevordering Beroepswielersport bemiddelt de ex-prof tussen de 53 Nederlandse beroepsrenners en de organisatoren van wielerwedstrijden. De slechte prestaties hebben hun weerslag op de marktwaarde van de vaderlandse wielerelite. De coureurs ontvangen gemiddeld 20 procent minder startgeld dan twee jaar geleden. En de prijzen gaan nog verder omlaag als dagsuccessen deze zomer in de Tour de France opnieuw uitblijven. “Met kunst en vliegwerk moet ik dan proberen de buitenlandse attracties aan de start te krijgen.”

De bemiddelaar heeft een simpele verklaring voor het miserabele voorseizoen. Al jarenlang moeten dezelfde namen voor successen zorgen. En stilletjes aan is op de Rooksen en de Nijdams aardig de sleet gekomen. Maar waarom rijden er in het peloton wel jonge Russen en Italianen? Dat ligt aan het cultuurverschil tussen Noord- en Zuid-Europa, beweert Van Gerwen. “Wij hebben zo'n beetje de gezondste jeugd ter wereld. In de categorie tot vijftien, zestien jaar kunnen onze junioren met de besten mee. Pas daarna wreekt zich onze vrije opvoeding. De wielersport is aartsconservervatief. Renners van een jaar of achttien hebben altijd veel moeten opgeven voor een profcarrière. Een jonge renner koos voor het isolement, zowel sociaal als maatschappelijk. Zijn studie moest hij onderbreken. Dat wordt tegenwoordig nauwelijks meer aanvaard. Centrale jeugdtrainingen worden steeds moeilijker. De een moet naar school, de ander met vakantie. En dan nog een belangrijk punt: vind maar eens een partner die bereid is de eigen ambities te begraven.”

In Italië en Spanje liggen de zaken anders, stelt Van Gerwen. “Daar bestaat nog een arbeiderscultuur. Italiaanse sporters hoeven niet te kiezen voor een isolement, want daar bevinden ze zich vaak toch al in. Ook een studiebreuk is meestal niet aan de orde. En een meisje vinden dat wil leven in dienst van haar echtgenoot, is minder moeilijk.”

Van Gerwen pleit voor een grotere tolerantie bij de conservatieve wielerbestuurders en ploegleiders. “De tijden zijn veranderd. Jeugdrenners zijn mondiger dan vroeger, leg je daar maar bij neer. De wielrennerij moet aansluiting zoeken bij de maatschappij, en niet andersom. Waarschuw jonge renners tijdig voor wat hen te wachten staat. En zorg voor aangepaste begeleiding. Renners uit het Oostblok pakken hun koffers en doen wat er van hen wordt verlangd. Een Hollandse wielrenner vereist een andere aanpak.”