Eric Hobsbawm

Het slechte interview is een wijd verbreid kwaad in de Nederlandse media. Wanneer iemand een boek geschreven heeft, is gewoonlijk de eerste vraag: wat staat er in dat boek? Zelden is dan het antwoord van de geïnterviewde: “Kunt U zelf Niet lezen?” Uit weinig blijkt in zulke interviews dat de interviewer inderdaad het boek heeft gelezen.

In het lange interview met de marxistische Britse historicus Eric Hobsbawm (in het Zaterdag bijvoegsel van 19 maart) wordt de geïnterviewde geïntroduceerd als een autoriteit op het gebied van het nationalisme. Maar hadden de Leidse interviewers werkelijk wel de laatste druk van zijn 'Nations and Nationalism since 1780' gelezen? Waarom dan geen vraag gesteld over de voor onze tijd toch niet onbelangrijke kwestie hoe deze (oud?) communist nu denkt over de catastrofale uitwerking die decennia lange communistische onderdrukking - met haar vijand-denken - gehad heeft op de nationaliteitenkwestie in Oost-Europa? Welke explosieve gif-alliantie er na 1989 in enige Oosteuropese landen is ontstaan tussen 'rood' en 'bruin' - 'rood fascisme' of 'ethisch communisme' -, waarbij vroegere communistische machtshebbers pogen hun macht te continueren door nu naast de rode de bruine kaart te spelen? Geen woord hierover bij de autoriteit Hobsbawm, maar ook geen vraag van de interviewers over deze opmerkelijke ommissie in zijn geschriften.

In een recente rede The New Threat to History debiteerde Hobsbawm uitgesproken bij de opening van de centraaleuropese universiteit in Boedapest de volgende gotspe: “After 1945 most of them (d.z. de Oosteuropese landen) chose, or found themselves being made to choose, the Bolshevik model, which was essentially a model for modernizing backward agrarian economies by planned industrial revolution.” Na heel kort over de zwakte en het ondraaglijke karakter van het communistische systeem te hebben gesproken gaat hij verder: “. . . It worked better than anything since the breakup of the monarchies in 1918. For most of the common citizens of the more backward countries in het region - say Slovakia and much of the Balkan peninsula, it was probably the best period in their history. The system broke down because economically the system became increasingly rigid and unworkable . . .” (New York Review of Books, 16 dec., p. 62).

In de herdruk van zijn veel gebruikte Nations and Nationalism since 1780 (1993) schrijft hij o.m.: “Hence, as we can now see in melancholy retrospect, it was the great achievement of the communist regimes in multinational countries to limit the disastrous effects of nationalism within them”. Over de revolutie van 1989 volgt dan een juweel van 'understatement': “. . . The model of a world divided by the October Revolution had ceased to have much relation to the realities of the late twentieth century for some time before then.”

Iemand die zo in 1993 schrijft over de 'communistische oplossing' is kennelijk nog niet toe aan de verwerking van zijn eigen verleden, laat staan aan een begin van de grote vraag welke plaats de communistische overheersing in de geschiedenis van de 20ste eeuw inneemt. Geen woord over de communistische leugenmachine waarmee decennia lang de communistische dictatuur het bestaan van kwesties van nationaliteit ontkend, verdrongen en onderdrukt heeft, daarmee de explosiviteit van het vraagstuk alleen maar voor de toekomst verhogend. Aan de ontmaskering van de talloze Sovjet-leugens is Hobsbawm echter kennelijk nog steeds niet toe. “Getting one's history wrong was part of being a communist.”

Wel heeft hij de euvele moed om nu nog steeds even futiele als misplaatste adviezen te geven aan volkeren van dat deel van Europa: nieuwe staten te stichten zal u niet helpen. Misschien hadden ze aan de Leidse universiteit nog niet door wie zij uitgenodigd hadden als autoriteit voor een tegenwoordig weer zo brandende kwestie in Europa. Of was het misplaatste tolerantie om geen vragen te stellen over dit soort communistische rechtpraterij?