Er klopt iets niet op het Vrijheidsplein van Medan

MEDAN, 23 APRIL. De Jalan Yos Sudarso, een kilometerslange straat die van het Vrijheidsplein in het centrum van Medan naar het noorden loopt, de stad uit, is bedrijvig als vanouds, maar er klopt iets niet. Van de eindeloze rij winkeltjes, werkplaatsen en eethuisjes zijn om de drie, vier panden de ruiten ingegooid, zijn de rolluiken of traliehekken dicht en de bedrijfjes erachter verlaten. Op kruispunten bivakkeren gewapende groepjes soldaten in gevechtstenue, in geïmproviseerde abri's van tentzeil.

Langs deze route trok op 14 april een ongeregelde massa Medan binnen, links en rechts vernielingen aanrichtend bij Chinese winkeliers. De meeste, maar niet alle amok-makers kwamen uit fabrieken langs de weg van Medan naar de havenstad Belawan. Daar begon vorige week de omvangrijkste en langdurigste stakingsactie die Indonesië tijdens het bewind van president Soeharto heeft gekend.

De slachtoffers van het conflict vielen in beide kampen: een jonge Javaanse arbeider en een fabrikant van Chinese afkomst. Rusli, een 22-jarige werknemer van het bedrijf PT Deli Karet, waar rubber zolen voor sportschoenen worden gemaakt, ging zijn collega's begin maart voor in een staking toen de eigenaar weigerde om de door het ministerie van arbeid voorgeschreven dertiende maand te betalen aan het einde van de islamitische vasten. Op 11 maart werd zijn bont en blauw geslagen lichaam gevonden in de Deli-rivier. Toen de politie weigerde een onderzoek in te stellen met het argument “hij zal wel dronken zijn geweest”, begon het te gisten in de fabrieken tussen Medan en Belawan.

Op 14 april - de vlam was al in de pan geslagen - wilde de 53-jarige ondernemer Kwok Joe Lip, ook bekend onder zijn Indonesische naam Yuli Kristanto, naar zijn wasmiddelfabriekje langs de oude weg naar Belawan. Hij had gehoord dat in de Jalan Yos Sudarso de hel was losgebroken, dus hij nam de tolweg naar Belawan om via het nieuwe industrieterrein naar de oude weg te rijden. Zover kwam hij niet, want hij liep vast in een joelende menigte die stenen gooide naar een van de fabrieken op het industrieterrein en het personeel uitdaagde om mee te staken. Plotseling sloeg iemand de voorruit in, waarop enkele tientallen betogers met stenen, stokken en staven begonnen in te slaan op de weerloze Kwok.

Wisten ze wie hij was? Waarschijnlijk niet, maar hij had een auto en zag er Chinees uit. De ironie wil dat, terwijl de baas werd doodgeslagen, zijn personeel gewoon doorwerkte, want Kwok hield zich aan het provinciale minimumloon van 3.100 rupiahs (drie gulden) per dag en dat is hier geen regel.

Medan, de hoofdstad van de provincie Noord-Sumatra en met anderhalf miljoen zielen de op twee na grootste stad van Indonesië, ligt in een vruchtbare kustvlakte, die in de tweede helft van de vorige eeuw door Europese pioniers werd omgetoverd van oerwoud tot tabaksplantages waar het wereldbefaamde Deli-dekblad werd verbouwd. Als werkvolk trokken de planters contract-koelies aan uit Java en Zuid-China. Sindsdien hebben de tabaksplanten plaatsgemaakt voor rubberbomen en oliepalmen, zijn de Nederlandse planters - niet de Belgische, Britse en Amerikaanse - verdwenen en hebben de nazaten van de Chinese koelies zich opgewerkt tot winkeliers en fabrikanten.

De Javanen daarentegen werken nog steeds op de plantages en nu ook in fabrieken. Dat verschil in sociale mobiliteit tussen de twee bevolkingsgroepen is een van de wortels van de huidige problemen.

Een andere oorzaak is de exclusiviteit van de Chinese gemeenschap. In het vliegtuig van Jakarta naar Medan bestaat de helft van de passagiers uit lichtgekleurde Aziaten, die onderling rap Chinees praten. Op Java is de Chinese immigratie eeuwen eerder begonnen en zijn de meeste etnische Chinezen alleen te herkennen aan hun uiterlijk. In Medan is de Chinese gemeenschap omvangrijker, maar ook geslotener en economisch nóg machtiger dan elders in Indonesië. Een Westerse consultant die werkt voor een plantage-onderneming van Chinezen in Medan, kent de kwaliteiten, maar ook de tekortkomingen van deze bevolkingsgroep. “Ze werken harder dan iedereen, zijn correct en efficiënt, maar glashard, zowel tegenover hun familieden in zaken als tegen hun personeel. En tegenover niet-Chinese Indonesiërs zijn ze vaak onverdraaglijk arrogant.”

De nijverheid in Medan en omgeving is deels afgestemd op de plantages - de belangrijkste grondstoffen zijn rubber en palmolie - maar ook de textiel- en schoenenindustrie zijn in opkomst. Gunstige uitzonderingen niet te na gesproken, doorgaans joint ventures met buitenlandse firma's en vestigingen van landelijk opererende ondernemingen, zijn de arbeidsverhoudingen er beroerd. Vooral het plaatselijke kapitaal, dat dikwijls woekert met kleine winstmarges, beknibbelt op arbeidskosten. Menig fabrikant in het Medanse betaalt zijn personeel niet meer dan 1.500 rupiah (anderhalve gulden) per dag.

De kloof tussen arm en rijk wordt de laatste jaren niet alleen breder, maar ook zichtbaarder, omdat kapitaalkrachtige Chinezen hun rijkdom niet langer verbergen, maar juist etaleren in de vorm van buitenmodel villa's en glimmende BMW's. Medan en omstreken vormen een sociaal kruitvat.

De explosie komt niet toevallig in een periode dat Indonesië onder buitenlandse, vooral Amerikaanse, druk staat om zijn arbeidsverhoudingen te verbeteren. Bovendien wordt het vakbondsmonopolie van het door de regering gekoesterde Indonesische Werknemersverbond (SPSI) sinds twee jaar betwist door het niet-erkende, maar gezien de grondwettelijke vrijheid van vakvereniging ook niet verboden Verbond voor Arbeiderswelzijn (SBSI). Tenslotte schiet het aantal niet-gouvernementele organisaties (NGO's) dat zich stort op de arbeidsproblematiek als bananeboompjes uit de grond. Pas afgestudeerde juristen en economen die moeilijk aan de slag komen en blaken van idealisme stappen naar de notaris die met één pennestreek van hun actiegroep een stichting maakt.

Begin april, toen het al gistte in de fabrieken rond Medan, namen twee van deze NGO's en de SBSI-afdeling Medan het initiatief tot een staking op donderdag 14 april, die zou uitmonden in een demonstratieve mars naar het paleis van de gouverneur van Noord-Sumatra, Raja Inal Siregar. Een stakersdelegatie zou hem een eisenprogramma overhandigen. De dood van Rusli moest uitgezocht, het minimumloon moest meer dan verdubbeld tot 7.000 rupiah per dag en het recht op vakvereniging erkend.

De vreedzame demonstratie draaide uit op een afknapper toen de gouverneur niet thuis gaf. Op vrijdag 15 april ontaardden de acties. Onder de stakers werden anti-Chinese pamfletten verspreid, Chinese winkeliers werden het slachtoffer van vandalisme en Kwok werd gelyncht. Zowel SBSI-voorzitter Mochtar Pakpahan als het leger, in alle opzichten tegenvoeters in dit conflict, beweert dat deze excessen zijn uitgelokt door niet nader genoemde 'derden'. In dit stadium kwamen relbestrijdingseenheden van de strijdkrachten tussenbeide; de ontketende massa werd verspreid en er vielen tientallen arrestaties. De militaire commandant van Noord-Sumatra, generaal-majoor Pranowo, verklaarde dat “demonstratieve acties die sportief zijn, redelijk en binnen de grenzen van de wet alsmede gefundeerde eisen getolereerd kunnen worden”.

De veiligheidsorganen trokken wat de stakingen betreft een grens bij geweld en vandalisme en aan dat uitgangspunt heeft Pranowo zich sedertdien gehouden. Terwijl de acties zich in de loop van deze week uitbreidden naar de industriegebieden langs alle uitvalswegen van Medan, beperkten de gecombineerde eenheden van leger, marine en politie zich tot afsluiting van de kernen van Medan en de satellietstadjes er omheen voor demonstrerende stakers. De betogingen voor fabriekspoorten werden op afstand gevolgd en elementen die aanstuurden op vernielingen werden opgepakt. Toen de eisen op aandringen van de autoriteiten werden teruggeschroefd naar naleving van wettelijke regelingen, zoals het minimumloon, vergoedingen en bonussen, begonnen militaire teams ondernemers te pressen om te buigen.

Dezer dagen traden legerofficieren in verschillende bedrijven op als zelf benoemde arbiters, wat gisteren voor het eerst leidde tot toezeggingen van fabriekseigenaren om zich voortaan aan de wettelijke regelingen te houden. Gisteren nam ook het aantal demonstraties voor fabriekspoorten af en hervatten de meeste bedrijven tussen Medan en Belawan de produktie.

    • Dirk Vlasblom