Debat in Oostenrijk over het zonder uitleg presenteren van ultrarechtse verschijnselen; Weners kijken met gekromde tenen naar nazikladschilders

In Oostenrijk is, naar aanleiding van twee exposities, een discussie losgebrand over de vraag of het gerechtvaardigd is nazistische en fascistische kunst zonder commentaar te tonen. Elk 'ten toon stellen' bevat een element van instemming met het getoonde, zo luidt een van de tegenargumenten.

Stimuleert het zonder commentaar tonen van nazistische en fascistoïde verschijnselen ultrarechtse tendenzen, blaast het wind in de ruggen van skinheads en neo-nazi's? Of zet het juist aan tot denken en tot het beter analyseren van het leven in een dictatuur of een autoritair bestel? De discussie over deze vragen kwam in Duitsland al op toen in 1974 Ernst Bloch protesteerde tegen de tentoonstelling Kunst im Dritten Reich, die overigens alleen reproducties toonde met uitvoerige commentaren om de bezoeker op het juiste spoor te brengen.

De laatste tijd woedt zij weer. Eerst naar aanleiding van de documentaire film Beruf Neonazi, waarin de ultrarechtse 'held' zonder begeleidende tekst Hitler ophemelt en in een voormalige gaskamer in Auschwitz betoogt dat 'Auschwitz' een grote joodse en geallieerde leugen is. Later naar aanleiding van de tentoonstelling in München van Hitler-portretten, gemaakt door zijn huisfotograaf Hoffmann. Het historische museum in Berlijn, dat van plan was geweest de expositie uit München over te nemen, trok zich naar aanleiding van de discussie terug.

In Oostenrijk kijkt men meestal hoofdschuddend en schouderophalend naar het gekrakeel van de opgewonden Duitsers en probeert men zoveel mogelijk het leven 'gemütlich' te houden. Twee tentoonstellingen in Wenen hebben deze ambitie nu doorkruist en het bovenbeschreven debat ook in Oostenrijk laten exploderen. Vooral Kunst und Diktatur in het Künstlerhaus, gepresenteerd door de uit Tsjechië afkomstige Jan Tabor, blijkt door een heel aantal intellectuele bezoekers met gekromde tenen bezichtigd te zijn, hetgeen na te lezen is in een stroom artikelen die de laatste weken in het serieuze deel van de Oostenrijkse pers zijn verschenen. Maar ook de tweede tentoonstelling Tyrannei des Schönen over de architectuur van het stalinisme, ingericht door de directeur van het Museum für Angewandte Kunst (MAK), Peter Noever, ontlokte vaak verblufte commentaren.

Beide presentaties hebben gemeen dat zij hun waren voor zichzelf laten spreken en dat in de expositieruimtes commentaar ontbreekt. Tabor heeft weliswaar een twee delen dikke catalogus met artikelen van een honderdtal medewerkers gepubliceerd, maar het is een duur en chaotisch monsterwerk dat de gemiddelde bezoeker koopt noch leest. Tabors opzet is de onbekende (kunst-)werken die onder het fascisme in Italië, het nazisme in Duitsland, het austrofascisme in Oostenrijk en het stalinisme in Rusland zijn ontstaan aan de kijker aan te bieden ter vergelijking. Interessant is dat zeker, al vraagt men zich af hoe ooit het door de joodse geliefde van Mussolini, Margherita Sarfatti, lange tijd gestimuleerde Italiaanse futurisme en de ten tijde van het Oostenrijkse austrofascisme druk exposerende Kokoschka met Gösser en Saliger en andere nazikladschilders in een pot terecht zijn gekomen.

Noever in het MAK lijkt eerder mee te rijden op de trendy golf van bewondering voor kunst uit de Stalin-tijd, die er al toe heeft geleid dat de laatste jaren wagonladingen socialistisch-realistische kunst naar het Westen zijn verkocht. In het MAK worden de ontwerpen van Stalins megalomane architectuur zonder meer als schone verdichtingen van utopische dromen tentoongesteld, waarbij de rondleidende conservatoren schamper spreken over diegenen die deze architectuur ooit 'Zuckerbäckerstil' hebben genoemd.

Staan duizenden jongeren in Wenen zich aan deze totalitaire werken te vergapen en reizen zij geïnspireerd door al deze grandioze ontwerpen en doeken vol blote Germaanse dames daarna af om de huizen van 'Turken en andere minderwaardige rassen' plat te gaan branden? Daarop wijst niets. In het dagblad Die Presse is zelfs een reportage verschenen waaruit blijkt dat de meeste jonge bezoekers tot de conclusie komen dat dictatoren gênant slechte kunst afdwingen. En ook oudere expositiegangers lijken niet overmand te worden door nostalgisch nazi-sentiment als zij de potsierlijke portretten van de Führer en zijn dikke rijksmaarschalk bekijken.

Is er dan iets tegen om deze kunst, die meestal geen kunst is, zonder handleiding te tonen en is het een uiting van onverdraagzame linkse 'political correctness', zoals Henryk M. Broder in het weekblad profil heeft geschreven, om hiertegen bezwaar aan te tekenen ? Of wordt het zelfs tijd om te erkennen dat in elk geval de architectuur tirannen nodig heeft om grootse werken tot stand te brengen, zoals de postmoderne Amerikaan Philip Johnson, die in de jaren dertig al diep onder de indruk was van de nazi-vormgeving en massapsychologie in Wenen kwam betogen?

De beste argumenten tegen de twee exposities zijn in het blad Falter in het veld gebracht door de kunst- en literatuur-critica Sigrid Löffler, als lid van het fameuze Literarische Quartet van Reich-Ranitzky een van de prominentste Oostenrijkse culturele stemmen in het Duitse taalgebied. Zij valt er in eerste instantie over dat in het Künstlerhaus geen onderscheid wordt gemaakt tussen totalitaire kunst en kunst uit een totalitair tijdperk, tussen kitscherige propaganda en werken van artistieker gehalte. Alles lijkt gelijkwaardig. Een conservator van een van de grote musea zei mij in dit verband : beide tentoonstellingen zijn persoonlijke trendy 'statements' van tentoonstellingsmakers die helemaal geen educatieve ambitie hebben.

Elk 'ten toon stellen' bevat een element van instemming met het getoonde, betoogt Sigrid Löffler verder. Dit kan tegengegaan worden door wat zij noemt 'paradoxale interventies', een begrip dat zij van de directieve therapie lijkt te hebben geleend. Tabor brengt dit raffinement niet op en zijn tentoonstelling heeft dan ook niets te melden over de verhouding tussen kunst en totalitaire macht. Op dit cruciale punt ziet zij ook de Stalin-expositie als mislukt. Maar haar kritiek reikt hier nog verder: in het MAK is men voor de soms verleidelijke esthetica van de Stalin-kunst bezweken en heeft men bovendien door een begeleidende kleine tentoonstelling van memorabilia uit Georgië (pijp, vulpen, koffiekopje) het moorddadige monster ook nog vermenselijkt.

Peter Huemer, een bekende progressieve Oostenrijkse publicist, gaat in een column over de kwestie minder ver en verder tegelijk. Verbieden moet men niets, vindt hij, misschien kun je de kunst van nazi's, fascisten en stalinisten wel niet anders tonen dan zonder direct commentaar: snelle algemeen geldige antwoorden zijn op de hier aangesneden vragen niet mogelijk. Maar de discussie over deze expositieproblematiek leidt volgens hem af van het feit dat op dit moment ambtenaren in Duitsland en Oostenrijk asielzoekende Koerden en Irakezen terugsturen naar huis en daarmee waarschijnlijk de dood in drijven. 'Waarmee zijn jullie bezig geweest toen dit onder jullie ogen gebeurde?' zullen onze kleinkinderen ons over vijftig jaar vragen, zo besluit hij zijn overpeinzing naar aanleiding van de tentoonstellingsdiscussie.