Cholera

Wim Coster: Bij nacht en ontij. Rampspoed in Overijssel

128 blz., geïll., Waanders 1994, ƒ 39,50

Volgens de Zwolse predikant G.H. van Senden wandelde in 1832 de cholera-epidemie als 'eene godin der eeuwigheid' over de aarde, en dus ook in Zwolle. De cholera was bestemd om 'groot onderwijs' te geven, alleen: welke bedoelingen de 'Albestuurder' precies met dit onderwijs had (zo gaf hij in alle nederigheid toe), kon hij niet zeggen. De dodelijke ziekte zou in ieder geval opwekken tot matigheid, godsdienstigheid en lijdzaamheid.

Die eigenschappen bleken blijkbaar slecht ontwikkeld, want in 1849 werd de stad opnieuw door een zware epidemie getroffen (284 doden, één procent van de bevolking). En in 1854 kon het cholerahospitaal opnieuw worden ingericht, evenals het jaar erop en in 1859. Tijdens de epidemie van 1866 werd een cholera-commissie opgericht, die ervoor zorg droeg dat de open riolen werden gedempt, de zieken werden geïsoleerd en de slachtoffers in hun kleren - en het liefst met beddegoed en al - werden begraven. Wonder boven wonder had geen zuster, medicus of apotheker het leven gelaten. Wel waren volgens pastoor G. Roelofs “vooral dronkaards en lieden van een slechten levenswandel” aangetast.

Of Baron van Heeckeren van Wassenaer wèl de bedoelingen van het groot onderwijs van de Albestuurder kende, is niet zeker. Wel wist hij dat zuiver water cholera, tyfus en andere infectieziekten kon voorkomen. Zijn broer was aan tyfus gestorven, en in 1886 liet hij op zijn landgoed Twickel bij Delden naar zuiver drinkwater boren. Dat water bleek zout. Toch liet de baron een watertoren bouwen, waarop een netwerk van straatpompen werd aangesloten. Het zout in de Twentse bodem bleef niet onopgemerkt. De zoutwinning, die daarvan het gevolg was, leverde de 'dronkaards en anderen met een slechte levenswandel' werk en een verhoogde levensstandaard op. En voor hen die het werkelijk nodig hadden, werd Kurort Bad Boekelo opgericht.

Bij nacht en ontij staat vol met dit soort anekdotische verhalen, onderverdeeld in rampspoed veroorzaakt door aarde, water, vuur en lucht. Van de brand die de hooiberg van H.J. Peuscher in 1960 in de as legde tot de grote brand van 1862, die geheel Enschede verwoestte. De stad had zich net opgemaakt voor een bezoek van koning Willem III. De talrijke erebogen, guirlandes en het voorjaarsgroen, die de krotwoningen en de vervallen gevels aan het oog moesten onttrekken, deden de brand in het achterhuis van Lodewijk van Voorst uitgroeien tot een verwoestende vuurzee. “Alles is voor overdrijving vatbaar, alleen de voorstelling dezer verwoesting niet,” sprak minister van binnenlandse zaken Thorbecke. Hij bezorgde de stad tenten en dekens, maar dit bleek een sigaar uit eigen doos: even later kreeg de stad daarvan de rekening: 20.000 gulden.

    • Eric Slot