Botsautootje

Daar komt ze weer, het Japanse meisje. Een kind van hooguit tien. De hele auto voor zichzelf. Onder haar zwarte waterpas-pony, wenkbrauwen recht als lineaaltjes. Een rond gezicht, onbewogen als een beeldje.

Zoals een geboren vorstin op het minste gebaar gehoorzaamd wordt, zo gehoorzaamt het botsautootje op de lichtste aanraking van de kleine handen. Zelfs als ze een botsing aan ziet komen, knippert het meisje niet met haar ogen. Maar het zou onjuist zijn te veronderstellen dat ze daar op uit is. Zij hoort niet bij de groep mensen die komt om te botsen. Zij hoort bij de veel zeldzamer exemplaren die het als een uitdaging beschouwen om de rit zònder botsingen te rijden. En rijden kàn ze.

Niet gehinderd door het geschetter en geloei uit de vele luidsprekers, de lichtflitsen, de laserstralen en de op de baan geblazen rook, manoeuvreert ze haar wagentje sierlijk tussen alle andere autootjes door. Ook aanvallen van achteren weet ze te ontwijken. Twee jongetjes die de stang van haar wagentje willen grijpen, worden op zo'n koele blik onthaald, dat ze gauw iemand anders zoeken om te pesten.

Wanneer ze niet anders dan pas-op-de-plaats kan maken, draaait ze fraaie nullen en achtjes. Door haar snelheid, haar accuratesse en onverwachte zwenkingen brengt ze, als een volleerd strateeg, de andere bestuurders zo in de war, dat die zich vastrijden en knooppunten vormen. In de opengevallen ruimte haalt zij vervolgens haar hart op aan figuurrijden. Ze danst golfpatronen, spiralen naar binnen en naar buiten, bloemmotieven en zelfs een figuur dat een gestileerd doolhof lijkt, maar dat uit tijdgebrek nooit afkomt.

Nog voor de autootjes helemaal stil staan, vist ze uit de mouw van haar jasje een muntje voor de volgende rit en duwt dat in de gleuf op de motorkap. Met de armen gekruist voor de borst wacht ze roerloos tot de keiharde bel een volgende ronde inluidt.