Bondgenoot Saddam

Alan Friedman: Spider's Web - Bush, Saddam, Thatcher and the Decade of Deceit 455 blz., geïll., Faber and Faber 1993, ƒ 44,95

Het wordt steeds duidelijker dat massale Westerse steun Saddam Hussein in staat heeft gesteld meer dan tien jaar lang zijn buurlanden en eigen burgers te tiranniseren. Het beschaafde Westen keek toe of verdiende er een dikke boterham aan.

Financial Times-journalist Alan Friedman vat in Spider's Web samen hoe vooral de Verenigde Staten, maar ook andere Westerse landen zoals Groot-Brittannië en Italië, door middel van vaak illegale wapenleveranties en financiële malversaties verantwoordelijk waren voor de opbouw van Iraks gigantische vernietigingsarsenaal in de jaren tachtig. In de VS konden Iraakse militairen naar believen winkelen om hun aartsvijand Iran met conventionele, chemische en biologische wapens te lijf te kunnen gaan. Volgens Friedman werd iedere verdenking aan het adres van de Amerikaanse regering zorgvuldig vermeden door oudgedienden van de CIA, wapenhandelaren en onbeduidende tussenpersonen het vuile werk te laten opknappen. Via allerlei omwegen smokkelden zij militaire technologie, vliegtuigen en munitie, met medeweten van de CIA en hoge regeringsfunctionarissen, het land uit. Dit was uiteraard in strijd met exportverordeningen en het officiële Amerikaanse standpunt van neutraliteit in de oorlog tussen Iran en Irak.

Gesteund door Amerikaanse kredietgaranties zorgde de Italiaanse bank BNL voor de financiering van de militaire opbouw van Irak. Het witwassen van wapengelden was één van de voornaamste bezigheden van haar filiaal in Atlanta. Hierdoor kon het Iraakse 'Ruimte en Astronomisch Onderzoekscentrum' zich regelmatig verheugen in de levering van tonnen Amerikaans 'graan' dat geïnvesteerd werd in de ontwikkeling van nucleaire wapens. Ook Groot-Brittannië was bij het komplot betrokken. Ministers en hoge ambtenaren staan nu onder verdenking dat zij de malafide handelspraktijken van Britse wapenproducenten gedoogden en zelfs aanmoedigden.

Juiste diplomatie

Friedman vraagt zich verbijsterd af waarom Westerse landen een gevaarlijke dictator vol wilde fantasieën lieten beschikken over de meest geavanceerde wapensystemen. Voor Engeland ging het voornamelijk om het geld. Deze conclusie lijkt gerechtvaardigd want de voormalige staatssecretaris van buitenlandse zaken William Waldgrave zei enige tijd geleden tegen het dagblad The Guardian over Irak: “Ik betwijfel of er een andere toekomstige markt bestaat van dergelijke omvang en met zo'n gunstige positie voor Engeland, mits we de juiste diplomatie toepassen. (...) We moeten niet toestaan dat de Fransen, Duitsers, Japanners en Koreanen ons voor zijn.”

Voor president Bush en zijn stafmedewerkers waren andere overwegingen belangrijker. Friedman geeft aan dat Bush en minister Baker in Irak een onmisbare bondgenoot zagen. Zelfs na de wapenstilstand tussen Iran en Irak in augustus 1988, bleef Saddam Hussein de voornaamste vertrouweling van het Amerikaanse beleid ten aanzien van de Perzische Golf. De gedachte was dat 'economische en politieke aansporingen' het gedrag van Saddam Hussein zouden matigen. Dit vertrouwen in de Iraakse leider bleek zeer hardnekkig. Toen Saddam Hussein in april 1990 dreigde de helft van Israel weg te vagen, wees Bush de roep om krachtig op te treden nog van de hand, in de hoop dat 'de mogelijkheid bestaat dat de Iraakse houding zich positief zal wijzigen'. Het liep allemaal wat anders dan Bush zich had voorgesteld.

In Irak wordt nu door inspecteurs van de Verenigde Naties hetzelfde wapenarsenaal opgespoord en vernietigd dat Saddam Hussein in betere tijden van zijn Westerse vrienden ontving. In Engeland, Italië en de VS likt men zijn wonden; ondanks verschillende cover up-pogingen, stapelen onthullingen zich op en wordt steeds duidelijker dat overheidsfunctionarissen en ministers een dubieuze rol hebben gespeeld in 'de moeder van alle schandalen'. In Engeland lijkt men nog het meest vastberaden om de werkelijke toedracht van de gebeurtenissen te achterhalen. Een onderzoekscommissie onder leiding van Lord Justice Scott worstelde zich door meer dan 130.000 documenten en voelde al verschillende ministers, onder wie ex-premier Thatcher, stafmedewerkers en veiligheidsagenten aan de tand over hun rol in Iraq-gate.

In Italië daarentegen lijkt het parlementaire onderzoek naar de betrokkenheid van de regering van Andreotti bij illegale wapenleveranties aan Irak en het BNL-schandaal te worden overschaduwd door talloze andere corruptieschandalen. In de VS beloofde Clinton bij zijn aantreden als president de zaak tot op de bodem uit te zoeken. Minister van justitie Janet Reno bereidt nu een onderzoek voor naar illegale wapenexporten van Amerikaanse bedrijven en de betrokkenheid daarbij van ministers en beleidsmakers.

Of voormalige bewindvoerders, onder wie Bush en Baker, zich daadwerkelijk zullen moeten verantwoorden voor hun daden valt nog te bezien. Een ander onderzoeksteam, de Walsh-commissie, concludeerde immers in januari nog dat oud-president Reagan en zijn vice-president Bush wel degelijk op de hoogte waren van de activiteiten van de hoofdspelers in de Iran/contra-affaire en daarna geprobeerd hebben hun de hand boven het hoofd te houden. Vervolging is echter niet aan de orde omdat er geen bewijs zou zijn dat zij een strafwet overtreden hebben. Reagan reageerde triomfantelijk: “Het is teleurstellend dat Walsh in meer dan zeven jaar meer dan 40 miljoen dollar heeft verspild aan het verzamelen van oude informatie.” Als de conclusies van onderzoekscommissies niet tot strafrechtelijke vervolging leiden van de belangrijkste politiek verantwoordelijken, kan hij daar wel eens gelijk in hebben.

Wanneer in een democratie zowel parlement als onderzoekscommissie machteloos staat tegenover corrupte en leugenachtige politieke uitvoerders, vormen de inspanningen van journalisten om het ware gezicht van de politiek te onthullen een laatste strohalm voor de kiezer. Friedman voegt echter weinig toe aan de berichten die al eerder in de media verschenen. Dat Saddam Hussein de vrije hand kreeg bij zijn wapenaankopen in het Westen is bekend. De vraag is nu wie hem deze vrije hand verleende. Friedman suggereert voortdurend dat hij het corrupte en cynische karakter van politici onthult, maar van zijn oncontroleerbare informatie, zoals verklaringen van anonieme getuigen, kan niemand wakker liggen. Zat de Engelse regering bijvoorbeeld achter de versleping van het superkanon naar Irak? Friedman vindt van wel, maar hij biedt geen enkel glashard bewijs.

Ondanks zijn gedetailleerde beschouwingen weet Friedman dus niet veel meer over te brengen dan 'there is something rotten in the state of Denmark' en dat was 455 bladzijden daarvoor ook al bekend. Door een bombardement van namen en afkortingen mislukt bovendien zijn poging om Iraq-gate te gieten in de vorm van een toegankelijke Forsythe-thriller.

    • Reinoud Leenders
    • van Soera - Tijdschrift over het Midden-Oosten