Bolk

“Heb je nou nooit”, vroeg Jacob, “dat je iets belangrijks wilt schrijven, geen ouwe koeien, geen zingende bossen, geen slapende honden, maar iets waar de mensen van opkijken, waar ze over praten, wat hout snijdt.”

Hij nam het sigaartje uit zijn mond, bekeek de kegel, tikte hem af in het asbakje en richtte zijn ogen weer op de weg.

“Ik bedoel”, zei hij, “dat je naar de tv zit te kijken en dat je opeens het gevoel krijgt dat er een ruimtewezen in de kamer staat. Half mens, half robot - Bolkestein!”

“Dat machinale stemgeluid”, zei hij, “dat knarsend beeldgebruik. Dat Kok geen victorie moet kraaien op een halfleeg kippenhok. Maar dan met veel te veel woorden en bij elk woord een onderstrepend handgebaar of een listig bedoeld trekje met de mondhoek. Die man doet een uur over een jij-bak.”

“En dat presenteert”, zei hij, “zichzelf als intellectueel. Je weet wat een intellectueel is? Iemand die denkt dat andere mensen dommer zijn. Dommer dan Bolkestein!” Jacob lachte honend. Hij omklemde het stuur, zijn knokkels werden wit.

“Heb je nou nooit”, vroeg hij, “dat je vingers beginnen te jeuken, dat je dentk: die man moet ik hebben, die ga ik eens volledig de grond in boren.”

Jawel, dat heb ik weleens. Maar dan doe ik de televisie uit en dan gaat het over.

    • Koos van Zomeren