Besmetters en besmetten

Annet Mooij: Geslachtsziekten en besmettingsangst. Een historisch-sociologische studie, 1850-1990 319 blz., Boom 1993, ƒ 48,50

Over griezelige en groezelige onderwerpen zijn mooie boeken te schrijven. Dat bewijst de Amsterdamse sociologe Annet Mooij met haar proefschrift over de geschiedenis van de geslachtsziekten die Nederland in de laatste anderhalve eeuw heeft gekend. Of liever gezegd: over hoe in de loop der tijd op dergelijke ziekten is gereageerd en hoe men heeft gedacht ze te kunnen bestrijden.

De ziekten waarover het gaat zijn met name syfilis, gonorroe, herpes en natuurlijk aids. Allemaal besmettelijk, maar niet allemaal even dodelijk. Wat tragisch gehalte betreft ligt vooral de vergelijking van syfilis met aids voor de hand: tot de invoering van de penicilline, aan het eind van de Tweede Wereldoorlog, bestond tegen de syf geen effectief geneesmiddel. De ziekte kon worden overgedragen door mensen die zelf niet merkbaar ziek waren, de afloop kon op termijn fataal zijn en besmetting vond behalve via seks plaats van moeder op kind.

Hoe dramatisch dit was kunnen we in menige ouderwetse roman nalezen. Zo krijgt in de bestseller De klop op de deur, van Ina Boudier-Bakker, die speelt in de jaren zeventig van de vorige eeuw, de jonge Indische bestuursambtenaar Otto de Block een aantal jaren na zijn huwelijk symptomen die door zijn arts worden verklaard uit Otto's vrijgezellen-escapades. De patiënt hoort het vonnis met verbijstering aan; hij had niet beseft dat hij zo lang na dato nog zo'n ziekte onder de leden kon hebben. Zijn lot wordt nog ellendiger als duidelijk wordt dat de dood van zijn eerste kind en de mismaaktheid van het tweede eveneens aan zijn pleziertjes te wijten zijn. Otto verzwijgt, zoals het hoort, de diagnose voor zijn vrouw, maar die heeft op eigen houtje het nodige speurwerk verricht. Haar liefde wint het tenslotte wel van haar verwijten maar niet van de dood: zowel Otto als hun tweede kind sterft aan zijn oude besmetting.

Aan het eind van de negentiende eeuw, toen de strijd tegen de geslachtsziekten heel West-Europa in zijn greep hield, werd de syfilis-frequentie in de grote steden geschat op 5 tot 15 procent en die van gonorroe zelfs op 25 tot 75 procent van de mannelijke stadsbevolking (in Nederlands-Indië lagen de cijfers nog hoger). Volgens Mooij dienden die percentages echter als bestrijders-propaganda en zijn ze vermoedelijk aan de hoge kant.

Een aangifteplicht voor syfilis en gonorroe (niet voor aids) bestaat pas sinds 1976. Vroegere cijfers betreffen ofwel dienstplichtigen ofwel patiënten die zich bij een kliniek hadden gemeld, dus als bevolkingsstatistiek hebben ze weinig nut. Mooij heeft overigens, hoe moeilijk exacte gegevens ook te achterhalen waren, toch steeds geprobeerd de periodieke pieken van 'venerische ophef' te relateren aan de beschikbare cijfers. Daaruit komt naar voren dat “de venerische prevalentie en de aanstoot die daaraan genomen werd lang niet altijd parallel liepen”. De golven van rust en onrust aan het bestrijdingsfront hadden vaak andere oorzaken dan een reële toename in ziektegevallen.

Luchtje

Geslachtsziekten en besmettingsangst is nadrukkelijk geen sociale epidemiologie, noch is het een patiëntenrelaas of het succes-verhaal van artsen verwikkeld in een heroïsch gevecht met ziektekiemen. In plaats daarvan concentreert Mooij zich op de maatschappelijke omgang met deze ziekten, die niet alleen gevaarlijk en besmettelijk zijn maar waar bovendien een luchtje aan kleeft. Ze laat zien hoe de maatregelen die werden geopperd tegen zulke 'geheime ziekten' (voorlichtingscampagnes zoals die over aids zijn een historisch novum) betrekkelijk weinig van doen hadden met feitelijke gevaren en besmettingskansen en veel meer met het denken over seksualiteit en met maatschappelijke verhoudingen zoals de machtsverschillen tussen de seksen. Zie ter illustratie het schrille gegeven dat al in het midden van de vorige eeuw bekend was dat besmetting het nageslacht kon aantasten.

Om de maatschappelijke omgang met deze ziekten aanschouwelijk te verbeelden gebruikt Mooij de metafoor van het theater: het gaat bij haar om de personages die het historisch toneel bevolken: besmetters en besmetten, daders en slachtoffers, 'schuldigen' en 'onschuldigen'. En het gaat om vertellers, degenen die het scenario schreven. Wie zijn in de loop der tijden de 'vertellers' van het venerisch verhaal geweest en welke personages lieten zij achtereenvolgens opdraven? Wie werd volgens wie door wie besmet? Mooijs dramaturgisch perspectief levert verhelderende en spannende vragen op.

De voornaamste personages in het negentiende-eeuwse debat waren prostituées, de vertellers waren in eerste instantie mannen, maar later in de eeuw ook vrouwen, zich emanciperende vrouwen vooral. Naarmate andere vertellers het woord voerden, veranderde de plot en verschoof tevens het oordeel over de prostituées, die overigens zelf nooit aan het woord kwamen. De eerste vertellers waren hygiënisten: artsen, mannen dus, die de oorzaak van veel nationale malaise zochten in gebrekkige sociale en sanitaire omstandigheden. Hun remedies waren regelzuchtig. Wat de prostitutie betreft waren zij voorstanders van reglementering: door een stelsel van vergunningen, gekoppeld aan medisch onderzoek zou de besmetting bij de bron worden aangepakt. Dat de dames die aldus als besmettingshaard werden aangewezen ook zelf door iemand moesten zijn besmet viel buiten hun blikveld, evenals de gedachte dat je je ook tegen hun bezoekers zou kunnen richten door wie immers het kwaad verspreid raakte.

Volgens hygiënistische opvattingen zou het ongezond zijn als de mannelijke geslachtsdrift geen uitweg vond; derhalve was voor ongetrouwde of ongelukkig getrouwde mannen de prostitutie een noodzakelijk kwaad. Deze doctrine is de geschiedenis ingegaan als die van de 'dubbele moraal': wat voor mannen normaal, gezond en eervol was - buitenhuwelijkse seks - was voor vrouwen een zonde die verlies van reputatie en derhalve van sociale positie kon betekenen.

Vuilstortkoker

Tegen de dubbele moraal en de bijbehorende 'staatsbordelen' werden in het derde kwart van de eeuw de bezwaren steeds luider, vooral van protestants-christelijke en feministische zijde. Woordvoerders als dominee Hendrik Pierson en de douairière Klerck-Van Hogendorp, verenigingen als de Vrouwenbond tot Verhooging van het Zedelijk Bewustzijn (uit 1884) en de Middernachtzending (uit 1888), maar ook meer linkse feministen, bepleitten met verve een gelijke onthoudingsmoraal voor beide seksen. Engelse feministen verwoordden hun offensief op zijn scherpst met hun fameuze leuze: Votes for Women, Chastity for Men. Wat overigens natuurlijk geen spreuk was die de christelijke zedenpredikers voerden; en anders dan sommige feministen, waren die ook beslist niet voor seksuele voorlichting als wapen tegen besmetting.

De bewoordingen waarin het denken der reglementeerders als vies en voos aan de kaak werd gesteld, lieten aan duidelijkheid niets te wensen over. De personages in de abolitionistische vertellingen zagen er bepaald anders uit dan hun voorgang(st)ers. De vroegere schuldige, de prostituée, was van daderes in slachtoffer veranderd; weliswaar bleef men haar zien als de besmettingshaard, maar het was nu haar bezoeker (en de overheid die hem gedoogde) die in een kwaad daglicht stond. Van het willoze, door fysieke behoeften voortgedreven lichaam der hygiënisten was hij getransformeerd tot een zondaar of profiteur, die de dochters uit de laagste klassen als vuilstortkoker gebruikte teneinde de meisjes uit eigen kring 'rein' te houden.

Dat dat niet lukte blijkt wel uit het tweede vrouwelijke slachtoffer dat nu, onder invloed van de emancipatiebeweging, naast de hoer op het toneel der ziektenbestrijding verscheen: de onschuldig besmette echtgenote, die in al haar onnozelheid het prototype vormde van wat toen het burgerlijk ideaal was van de vrouw en moeder. Zie wederom Ina Boudier. Zij schetst de woede die een vriendin van het getroffen gezin De Block bevangt, als tot haar doordringt dat vrouwen in onwetendheid worden gehouden over hun risico te trouwen met een drager van ziektekiemen, en dat die leugenachtigheid juist het ware fatsoen en de echtelijke liefde moeten voorstellen.

Deze herdefinitie was een radicale greep; zij verenigde vrouwen uit zo diverse sociale lagen als burgerij, werkende stand en prostitutie tot één belangengroep: geslachtsziekte werd 'een zaak die alle vrouwen raakt'. Dat had wat de reglementering betreft succes: die werd begin deze eeuw afgeschaft. Kiesrecht en economische zelfstandigheid - andere vrouweneisen in dit verband - deden langer op zich wachten. De bestrijding van geslachtsziekten kwam even op een wat lager pitje te staan.

De prostitutiekwestie beslaat maar één hoofdstuk van Geslachtsziekten en besmettingsangst; zij is in de chronologie der geslachtsziektenbestrijding het eerste grote debat. Langs dezelfde route: de dynamiek waarin de verschillende groepen actoren verwikkeld waren, baant Mooij zich een weg door de rest van haar 140 jaar. Anders dan sociologen vaak volautomatisch veronderstellen, waren die actoren, of het nu om vertellers of personages ging, niet primair sociale klassen maar seksen en daarnaast diverse beroepsgroepen en hun cliëntèle. Zo lopen (en zijn) vanouds zeelieden en soldaten een extra risico. En binnen de artsenstand waren het vooral hun behandelaars, de leger- en marine-artsen, die pleitten voor de beschikbaarstelling van condooms.

Terwijl het moralistische (confessionele) vertoog zelfs, waar het om de preventie van gevaarlijke ziekten ging, voorbehoedmiddelen verbood (ziekte was straf voor zonde), bevond deze categorie artsen zich in de eerste decennia van deze eeuw in de pragmatische voorhoede. Dat had niets van doen met 'progressiviteit', maar juist met traditionele opvattingen van 'mannelijkheid'. Net zoals vroeger in adellijke kring syfilis werd beschouwd als een 'cavaliersziekte' die behoorde bij de aanvaardbare risico's van het frivole leven, impliceerde de militair-geneeskundige definitie van masculiniteit een vrijelijk uitgevierde heteroseksualiteit. En dat brengt nu eenmaal bepaalde gevaren met zich mee.

Onrust

Het denken over 'sekse' (of wat in Angelsaksische literatuur heet: gender) blijkt ook beslissend te zijn geweest in het ontstaan van een verse golf van binnenlandse venerische verontrusting in de jaren dertig. Deze onrust, op een moment dat het feitelijke aantal besmettingen lager was dan ooit, moet volgens Mooij worden verklaard uit een morele paniek over de opkomst van een nieuw type vrouwen: jonge meisjes met een baan die net genoeg geld en vrije tijd opleverde om af en toe eens een bioscoop, zwembad of danszaal te bezoeken. Ongetrouwd, ongechaperonneerd en onafhankelijk.

In de geschriften der bestrijders ontwaart Mooij in die jaren een daaraan ontleend type hoofdpersoon: het 'promiscue meisje', dat niet zoals de prostituée omwille van haar levensonderhoud seksuele relaties onderhoudt, maar voor haar plezier en wellicht voor een sjiek cadeautje en wat kleine luxe op zijn tijd. De stigmatisering van deze meisjes als nieuwe besmettingshaard paste in de vooral van katholieke zijde gevoerde hetzes tegen betaalde vrouwenarbeid buiten het gezin. Bij de nieuwe diagnose behoorde een nieuwe therapie: het maatschappelijk werk. Want genezen kon nog steeds niet.

Dat kon pas in de periode tussen 1950 en 1980. Die jaren vormen in deze honderdveertig jaar ziektegeschiedenis een uniek intermezzo van zorgeloosheid, want tijdens die drie decennia bestonden er voor het eerst geen ongeneeslijke geslachtsziekten. Tot aids het sprookje kwam verstoren.

Aids is door de Engelse literatuurwetenschapster Elaine Showalter, die in haar Sexual Anarchy (1990) eveneens de reacties op syfilis en aids vergeleek, “the most selfconscious of all diseases” genoemd. Mooij gebruikt een andere terminologie maar komt tot aanverwante conclusies. Bij aids is het personage zelf verteller geworden; hij zit met de medische vertellers aan tafel of anders wel in een commissie. Waar de prostituée van een eeuw geleden louter object was van het debat, wordt nu naar de argumenten van de (potentiële) patiënten geluisterd; hun oordeel over de effectiviteit van eventuele maatregelen weegt zwaar. Anders dan de prostituées van toen hebben de homoseksuelen van nu macht: daaraan is het te danken dat niet 'de homo' maar het virus tot de voornaamste schuldige is verklaard. Niet de moraal maar het gedrag moet veranderen; schuld en zonde zijn vervangen door een technische verantwoordelijkheid voor de eigen gezondheid.

De kloof die nog niet zo lang geleden vertellers en personages strikt van elkaar gescheiden hield is overbrugd. De angst te stigmatiseren lijkt onder beleidsmakers soms groter dan de angst voor verdere besmetting. Een maatregel als het sluiten van sauna's is onbespreekbaar. Kortom: de toegenomen patiëntenmacht vindt zijn uitdrukking in het feit dat hun recht op beschaafde omgangsvormen erkenning heeft gevonden. Bij die theses plaatst Mooij overigens wel de kanttekening dat het afwachten blijft wat er gebeurt als de besmetting zich over 'gewone gezinnen' gaat uitbreiden. Het is volgens haar steeds zo geweest dat waar deze ziekten beperkt bleven tot mannen een pragmatische benadering kans had; het moralisme kwam op de proppen zodra er ook vrouwen in het spel waren.

Overtuigend

Geslachtsziekten en besmettingsangst is bijzonder geslaagd. Annet Mooij formuleert trefzeker en fraai, haar analyse is levendig en overtuigend, haar brongebruik gevarieerd: statistieken, romans, archieven, medische rapporten en tijdschriften trekken op elegante wijze voorbij. Haar boek is een verademing temidden van de wat steriele produkten van constructivisme en poststructuralisme.

Net als deze modieuze methodologische stromingen beschouwt Mooij de wijze waarop een samenleving reageert op enge ziekten als een door en door sociaal produkt. Maar doordat zij definities en interpretaties steeds nauwkeurig en creatief verbindt met veranderingen in de veelsoortige verhoudingen die mensen met elkaar aangaan, staat haar boek vooral in de traditie van de Amsterdamse historische sociologie. Zij amendeert die traditie door haar scherpe oog voor de betekenis van de relaties tussen de seksen.

Ik hoop van harte dat Mooij zich ook nog eens zal buigen over de lotgevallen van die recente, massale en verwaarloosde ziekte chlamydia, die de concurrentiestrijd met aids heeft verloren en die niet mannen treft (met de dood) maar vrouwen (met onvruchtbaarheid).