Wielerkampioen Lance Armstrong mist zijn Harley

LUIK, 22 APRIL. De handelwijze van de president zit hem best nog een beetje dwars, laat Lance Armstrong doorschemeren. Bill Clinton telefoneerde in augustus niet met hem, om hem geluk te wensen met zijn spectaculaire zege bij het WK wielrennen. “Vanuit het Witte Huis feliciteerde hij later Dan Jansen wèl, toen die bij de Olympische Winterspelen goud haalde.” Natuurlijk weet ook Armstrong waarom: “Het ligt allemaal heel simpel. Iedereen in Amerika keek naar Jansen, iedereen was blij voor Jansen. Clinton wist dat. Dus dacht hij: 'Ik zal die schaatser maar eens even opbellen'. Goed voor zijn imago als voornaamste politicus.”

De 22-jarige Armstrong, de macadam cowboy, vervolgt vol overtuiging: “Als heel Amerika mij in Oslo bezig had gezien, dan had Clinton 's avonds ook aan de lijn gehangen, want ik deed daar iets heel moois. Nu had hij er geen reden voor. De president was daar zelf niks mee opgeschoten. Ach, ik maak me er niet te druk over. Wielrennen is ook geen belangrijke sport in de States. Toch haalde mijn overwinning de voorpagina van de Herald Tribune.” Dat deed de prof van Motorola goed.

Zijn pet houdt hij op bij het gesprek in een Luiks hotel. Soms snuift hij als een jonge hengst en antwoordt hij meteen, soms neemt hij lang de tijd om kreunend na te denken. Zijn blauwe ogen dwalen dan door de kamer. Doorgaans is hij de vriendelijkheid zelve. Door zijn lichte (Texaanse) accent is niet àlles wat hij zegt meteen klinkklaar. Geen nood, hij herhaalt het dan graag. Of hij omschrijft tot in detail wat hij bedoelt, de Amerikaanse outsider van het peloton.

Eergisteren moet hij een vervelende dag hebben beleefd in de Waalse Pijl. Niet alleen omdat hij de beslissende slag miste, ook omdat Argentin won. Want dat is niet zijn beste vriend. “Argentin is grote klasse, voor wie ik veel respect heb”, legt Armstrong uit. “Voor de renner Argentin althans, niet voor de mens. Hoewel ik nóít met die Italiaan heb gesproken, weet ik dat hij geen makkelijke jongen is. Ouderwets is hij, dat voelde ik al de eerste keer dat ik in zijn nabijheid was. Hij zag me niet staan, behandelde me als een amateur. Nieuwe namen, nieuwe stemmen zijn goed voor het wielrennen, maar dat kan hij niet accepteren. Niemand mag van de grote koek meeëten, want dan wordt alles voor hem kleiner: zijn deel, de aandacht, het geld.”

Hoewel hij in Como een appartement heeft, houdt Armstrong niet van Italië - “een old fashioned land”. En hij heeft ook een hekel aan het wielrennen aldaar. “Kopmannen als Moser, Saronni, Argentin, dat waren de goden van het team, de rest telde niet mee. De tijden zijn veranderd. Argentin en andere oudere Azzurri kunnen daar niet mee leven. Zij willen tien, vijftien jaar lang dezelfde gezichten zien.” Armstrong zucht. “En dat zou toch heel saai worden. Stephen Roche was ook zo'n man als Argentin. Nee, eigenlijk was die nog erger, dat was een klootzak.”

Wie de goedlachse Ierse gent leman kent, wil graag even weten waarom. “Nu zegt hij dit, twee uur eerder het tegenovergestelde”, verduidelijkt Armstrong. “Hij is een doetje. 'Lance, ik ben zo blij dat je won', zei Roche tegen me na het WK. Hij aaide over mijn schouder en keek me van dichtbij in de ogen. Bla, bla, bla, bla - hij was alleen maar blij dat ik Indurain van de zege had afgehouden, zodat Indurain niet naast hem was gekomen als winnaar van drie grote races in één jaar, de Giro, de Tour en het WK. De volgende dag noemde Roche me in L'Equipe een stuk shit. Wat voor man is dat?”

Zei Roche trouwens ooit iets goeds over iemand, wil Armstrong weten. “Hij gaf ook af op Indurain, dat zou geen kampioen zijn. Pff. Roche in zijn goeie tijd, of Laurent Fignon in zijn goeie tijd, ze konden zelfs niet het wiel van Indurain houden. Excuse me, maar zo zit 't. Indurain is een veel grotere renner dan Roche.” Hij lacht, piepend en luid. “Die Roche is een Engels sprekende jongen, maar hij paste niet bij de Engelssprekenden van het peloton. Amerikanen, Australiërs, Kelly, Engelsen, Canadezen, samen hebben ze een soort groot bondgenootschap, er is grote saamhorigheid. Noem ze maar op, LeMond, Anderson, Yates, Bauer, Peiper.”

Ze kwamen ooit naar Europa met alleen een rugzak en een frame. “Het waren pioniers, vreemdelingen die het verschrikkelijk zwaar hadden”, weet Armstrong, “ik ben ze erkentelijk, want ze plaveiden de weg voor mij. Ik heb het veel gemakkelijker dan zij, want nu hebben we Amerikaanse teams en grote races in Amerika. Desondanks heb ik het dikwijls moeilijk”, bekent hij, terwijl hij even moet slikken. De aanwezige pr-man en oud-renner Paul Sherwen van Motorola doorbreekt het zwijgen in de kamer: “Als Frans Maassen slecht draait in Parijs-Roubaix, gaat hij 's avonds naar huis. Naar zijn eigen huis, zijn eigen familie en ze verwerken het leed samen. Een stuk veiligheid. Als Nijdam een slechte Amstel Goldrace rijdt, dan is hij in anderhalf uur thuis. Als Armstrong naar huis wil, moet hij tien uur vliegen. Anderson 26 uur. Hun huis is een hotelkamer, dat is geen home. Ze weten het allemaal, de Engelstaligen, dat ze een opoffering moeten getroosten wanneer ze hier komen.”

Armstrong zit er bij te knikken. Hij is weer op verhaal gekomen. “Ik heb in Amerika een Harley Davidson”, vertelt hij, “daar reed ik pas een keer op. In januari, daarna moest ik vertrekken. Ik hou van het water thuis in de VS, ik ben bezeten van waterski. Ik heb soms erg veel heimwee, als ik daar aan denk. Of als ik in gedachten bij mijn vrienden ben. 's Winters gaan we uit, stappen. Ik ben gek op een goed glas bier, neem ik elke dag, ook in het seizoen. Ik geef de voorkeur aan een kleine bar, met live muziek, rock 'n roll. Dat heb ik nodig, om rustig te worden, om te relaxen.”

Een all-American boy. Hij wil het Amerikaanse team Motorola niet graag missen. “Het is iets speciaals. Raas vroeg me vorig jaar, ik hoefde niet. Als deze sponsor nog tien jaar blijft, blijf ik mijn hele carrière bij hem. Ik ben happy. Ik verdien veel geld, maar ik rijd absoluut niet voor de dollars alleen. Ik heb geld en geluk. Misschien was ik zonder geld ook gelukkig.”

Zijn Amerikaanse vriendin is pas bij hem weg. “Een verschrikkelijk harde ervaring. Ik beëindigde de relatie, even woonden we samen in Como. Ze had in de States een job, die gaf ze voor mij op. Ik betreur het zeer. Dat ik haar liet overkomen, was misschien wel de grootste fout in mijn leven. Nu is ze terug en moet ik helemaal opnieuw beginnen. Ik zit daar echt mee. Maar, aan de andere kant, c'est la vie.” Hij is weer verliefd, op een Nederlandse.

Deze competitie wil hij nog schitteren. Hij wil bewijzen dat hij als expert in de eendaagsen - “misschien kan ik later ook als ronderenner uitblinken” - terecht de regenboogtrui om de schouders heeft. Zijn prestaties waren tot nu toe mager. Over de oorzaak is hij duidelijk. “Dhaenens en Bugno deden als wereldkampioenen 's winters te veel verkeerde dingen. Recepties, openingen van winkels, etcetera. Ik concentreerde me volledig op de fiets. Trainen, trainen, trainen. Ik raakte daardoor oververmoeid, ik zat in een gat, een diep gat. Ik kon er maar niet uit komen. Gelukkig is het nu zo ver. In Luik-Bastenaken-Luik was ik sterk, afgelopen woensdag was ik in de Waalse Pijl wat minder. Maar zaterdag, zaterdag, dan sta ik er in de Amstel Goldrace.”

    • Guido de Vries