Werknemers delven het onderspit in nieuwe ontslagprocedure

Een bedrijf dat van het arbeidsbureau geen toestemming krijgt om een werknemer te ontslaan kan zich wenden tot de kantonrechter en alsnog proberen ontslag te verkrijgen. De minister van sociale zaken wil van deze procedure af. De werkgever kan de werknemer zonder meer ontslaan en wie wil protesteren moet zelf maar naar de kantonrechter lopen. F. Kuitenbrouwer vindt de plannen ondoordacht. Ook al krijgt de werknemer van de rechter gelijk, zijn baan is inmiddels aan een ander vergeven.

Niets is taaier dan een noodmaatregel. Vlak na de oorlog werd de tot 'bijzonder' bestempelde bepaling ingevoerd dat voor ontslag de toestemming vereist is van de directeur van het arbeidsbureau. Vandaag praat het kabinet over vervanging van deze preventieve toetsing door de mogelijkheid van toetsing achteraf door de (kanton)rechter. Volgens een recente NIPO-enquête is 51 procent van de Nederlanders voor versoepeling van de ontslagregels ter wille van de gezondheid van ons bedrijfsleven. Toch leek het even nog spannend te worden in het kabinet omdat minister De Vries en staatssecretaris Wallage van sociale zaken op de valreep met elkaar in de clinch gingen.

De politieke verhoudingen zijn snel opgelapt, maar het blijft wonderlijk dat verder eigenlijk niemand een kik geeft. Het is namelijk niet mis wat De Vries voorstelt. Stel, uw baas wil van u af. Het werk gaat nog best maar het dienstverband is inmiddels langdurig en jonge werknemers zijn goedkoper dan oude. Dus worden een aantal aanleidingen bijelkaar gesprokkeld en ploft een brief op de deurmat: de laan uit. Dat gaat echter niet zomaar. De arbeidsbureaus weigeren jaarlijks meer dan tienduizend ontslagvergunningen zodat de werknemer zijn baan behoudt, tenzij de werkgever alsnog via de rechter een ontbinding wegens gewichtige rede nen weet door te zetten. Minister De Vries draait dit om en laat het aan de ontslagen werknemer zelf over om bij de rechter op te komen tegen een ongerechtvaardigd ontslag (of een te lage schadeloosstelling).

Typerend voor rechters is echter dat zij er veelal aan te pas komen wanneer het kwaad eenmaal is geschied. Bovendien past hen meer terughoudendheid bij de beoordeling van een ontslag dan het arbeidsbureau. Het is de bedoeling dat de rechter nagaat of ontslag een “redelijke grond” heeft. Ontslag wordt alleen toegestaan wegens “de geschikheid of het gedrag” van de werknemer of om “bedrijfseconomische redenen”.

De kleine lettertjes zijn echter verraderlijk: de rechter mag de bedrijfsvoering niet afmeten aan de algemene vereisten voor het functioneren van een onderneming (zoals wel het geval is in een recent verdrag van de Internationale arbeidsorganisatie) maar is gebonden aan de vorm van bedrijfsvoering die de individuele werkgever wenselijk acht. De auteurs van een 'rechtseconomische analyse' van het plan-De Vries in het vakblad Sociaal Recht concludeerden eind vorig jaar dan ook “dat de rechter minder goed toegerust lijkt voor de toetsing van een bedrijfseconomisch ontslag dan het arbeidsbureau”. En deze categorie levert op het moment het meestvoorkomende ontslagmotief. Een objectieve toets is overigens evenzeer van belang bij “geschiktheid” - een tweezijdig begrip.

Achter het plan van minister De Vries zit de verwachting dat werkgevers makkelijker mensen in dienst nemen als zij er ook makkelijk vanaf kunnen. De gespecialiseerde Amsterdamse advocaat mr. J.J. Trap noemt dit echter “uiterst speculatief”. Het is volgens hem net zo goed mogelijk dat werkgevers bij een dalende conjunctuur een soepeler ontslagrecht juist zullen aangrijpen om hun loonkosten te beperken door vooral mensen te lozen.

Iets anders is dat veel ontslagaanvragen - sommigen schatten zelfs vijftig procent van de honderdduizend gevallen per jaar - alleen pro forma worden gedaan, namelijk om de werkloosheidsuitkering van de betrokken werknemer veilig te stellen. Deze “rituele dans dan wel poppenkast” hangt zolangzamerhand iedereen in de praktijk van het ontslagrecht de keel uit. Daar is echter geen ingrijpende herziening van het ontslagrecht voor nodig. De sleutel ligt in handen van de bedrijfsverenigingen. Deze kunnen nu al bepalen dat beëindiging van de arbeidsovereenkomst met onderling goedvinden in geval van bijvoorbeeld een inkrimping - waarvan de werknemer dus geen verwijt valt te maken - niet een belemmering vormt voor een ongekorte uitkering.

Een argument voor het plan van De Vries is dat de praktijk de laatste jaren toch al steeds meer uitwegen zoekt om het arbeidsbureau heen en naar de rechter toe. Van de honderdduizend ontslagprocedures per jaar loopt van oudsher 85 procent via de arbeidsbureaus. Het aandeel van de kantonrechter is echter snel bezig te strijgen tot dit jaar wellicht zelfs veertig procent. De rol van het arbeidsbureau bij ontslagvergunningen is intussen verschoven van bewaking van de arbeidsmarkt naar een belangenafweging tussen werkgever en individuele werknemers. Principieel hoort zo'n oordeel bij de rechter thuis.

Het grootste knelpunt blijft echter de kracht van de voldongen feiten. Preventieve weigering van een ontslagvergunning geeft de werknemer die met een loze smoes de laan dreigt te worden uitgestuurd, een betere kans zijn baan te behouden. De dienstbetrekking blijft immers bestaan. En in een moeizame arbeidsmarkt is het de baan die telt. Bij civiele toetsing à la De Vries is het ontslag een feit. Ook al krijgt de werknemer van de rechter later alle gelijk van de wereld, zijn baan is inmiddels aan een ander vergeven of weg. De in het ongelijk gestelde werkgever kan een rechterlijk vonnis tot herstel van dienstbetrekking bovendien altijd afkopen. Of de schadevergoedingen die de rechter onder het nieuwe regime toekent de verwachte afschrikwekkende werking zullen hebben op werkgevers om zich te onthouden van lichtvaardig ontslag, moet nog maar worden afgewacht. Punitieve schadevergoeding is niet een in het oog springende traditie in Nederland.

Schorsing van een apert onredelijke opzegging kan toch worden afgedwongen per kort geding? Juist op dit punt ziet mr. Trap in het plan-De Vries allerlei technische complicaties die er op neerkomen “dat de rechter eenvoudig niet kán verklaren dat een dienstverband nog voortduurt”. Wat dit betreft zijn de plannen onnodig onbekookt. Het minste is na afschaffing van de preventieve toetsing terug te vallen op de reeds bestaande ontslagprocedure wegens “gewichtige redenen”. Dan blijft het dienstverband geheel overeind totdat de rechter het ontbindt, maar de rompslomp van de ontslagvergunning en bijbehorende opzegtermijnen vervalt. Zeker als de pro forma-procedures worden gekapt levert dat een behoorlijke stroomlijning van de arbeidsmarkt op maar blijft het initiatief - en de bewijslast - bij de werkgever, zoals het in normale arbeidsverhoudingen hoort.

Wij gedenken hem met dankbaarheid, voor alle helpende kritiek, voor alle belangstelling, voor alle initiatieven. Het was een voorrecht met deze mens te mogen samenwerking en van hem zoveel te mogen leren.