Stugge schaker

Selma Noort, Eilandkind. Met tekeningen van Annemarie van Haeringen. Uitg. Leopold. Prijs ƒ 24,90. Vanaf 7 jaar.

Het decor: een klein, niet met name genoemd eiland, ergens in zee. Er staan tien petieterige huisjes op, geschilderd in alle kleuren van de regenboog, die in de zomermaanden verhuurd worden aan vakantiegangers, en twee grotere houten huizen, voor de vaste eilandbewoners. Ze wonen er met z'n zevenen, poes niet meegerekend: vader, moeder, hun drie kinderen, een zonderlinge tante die nooit een woord zegt en Pake, de grootvader. Contact met de buitenwereld is er weinig maar daar hebben ze ook niet veel behoefte aan. Ze hebben elkaar en ze hebben hun eiland, en dat is meer dan genoeg.

Dit onbekommerde bestaan vormt de basis van Eilandheimwee, een opmerkelijk sfeervol sprookje waarmee schrijfster Selma Noort vorig jaar een Zilveren Griffel in de wacht sleepte. Hoofdpersoon Raven, de oudste van de drie kinderen, ziet zich genoodzaakt letterlijk en figuurlijk de overstap te maken naar een andere, veel minder lieflijke wereld: elke dag moet hij met z'n bootje naar het vasteland, want daar staat zijn school. Het valt allemaal niet mee, daar in de boze buitenwereld, maar Raven treft het dat zijn juf zijn 'eilandheimwee' goed aanvoelt. Op een wonderlijke, toverachtige manier slaagt zij erin te bemiddelen tussen de twee werelden die in Ravens ogen onverzoenlijk waren.

Werd in Eilandheimwee de idylle verstoord doordat Raven opeens naar school moest, in het vervolg met de veel neutralere titel Eilandkind is het de natuur die onverbiddelijk toeslaat: een zware storm vernielt bijna alle huisjes op het eiland waar Raven woont. Dat betekent schrijnend geldgebrek, want er valt op deze manier niks te verhuren en tot overmaat van ramp is Ravens moeder hoogzwanger. Wat nu? De familie is ontredderd. Maar als er per boot twee heren en een dame arriveren (hetzelfde sinistere trio dat in Eilandheimwee Raven kwam attenderen op zijn leerplichtigheid?) om ze duidelijk te maken dat het zo echt niet langer kan, dat het onverantwoord is om op het eiland te blijven, weten de bewoners wat ze te doen staat: de boel zo snel mogelijk weer opbouwen.

Om de vechtlust en de vindingrijkheid waarmee Raven en zijn familie hun idylle in stand proberen te houden, draait Eilandkind. Het is een geploeter van jewelste, maar het is van het begin af aan duidelijk dat, als je maar vecht voor je ideaal, het allemaal dik in orde komt, en wat dat betreft biedt het verhaal niets verrassends. Bij wijze van extra hindernis roept Noort een wonderlijke schaakgrootmeester, Constantin Fjodorowitch, in het leven, die naar het eiland komt om zich in alle rust voor te bereiden op een toernooi. De familie loopt zich het vuur uit de sloffen om het de man naar de zin te maken, want ze hebben zijn geld hard nodig, maar het contact stelt niets voor: de schaker is en blijft in de ogen van de eilandbewoners een rare kostganger. Des te merkwaardiger is het dat de schrijfster ons toch verschillende keren een blik in de ziel van de stugge schaker gunt: 'hij deed of hij niets hoorde' en elders lezen we zelfs dat 'hij zijn geweten [had] gesust'. Het was veel overtuigender geweest als ze ons dat allemaal niet had verteld, omdat ze verder zo consequent vasthoudt aan het perspectief van Raven.

De solide basis van een duidelijk thema, een goed verhaal, moeten we in dit vervolg missen. Eén aspect van Eilandheimwee, de verheerlijking van het eilandleven, is hier opgeblazen tot een afzonderlijk boekje, tot een heuse ode aan het primitieve bestaan. Dit kleine, verstilde geluk begon me halverwege flink tegen te staan. Het is allemaal zó lief, zó zuiver en zó vreedzaam, zo 'ze-waren-arm-maar-gelukkig', dat het te veel van het goede is. Nooit staat er een televisie te schetteren - die hebben ze niet en die zouden ze ook niet willen - nooit zeurt er eens een kind om een Barbie of een walkman. Nee, Raven en zijn zusjes zijn volmaakt gelukkig als ze met hun schelpenverzameling spelen, of houtsnijwerkjes maken, of garnalen pellen. Het zijn modelkinderen, ze maken geen ruzie, ze schreeuwen niet, hooguit inwendig: “Het rook zo vertrouwd, de geur van soep en verf; en het licht viel net zo naar binnen als hij het gewend was, en Poes streek langs zijn benen en mauwde. Hij kon wel schreeuwen van geluk.”

Oeverloos gezwelg blijft ons bespaard, omdat Noort een sobere, ingetogen stijl hanteert. Ze registreert, geeft weinig tekst en uitleg en laat de feiten en de gebeurtenissen, voor zover die er zijn, voor zichzelf spreken. Vaak heel suggestief, maar er wordt verder bar weinig mee gedaan. Zo'n passage als die waarin de zonderlinge Noenke, de tante die nooit wat zegt, haar haar borstelt terwijl de anderen ademloos toekijken - het is mij allemaal te veel poespas om niks.