Reageren op het niets; Hoe Daniel Buren de kunst verstikt

De Fransman Daniel Buren legt zich toe op het relativeren van de kunst, maar dan wel vooral de kunst van anderen. Ook de tentoonstelling die hij als gastconservator voor kunstcentrum Witte de With samenstelde, doet een boosaardige opzet vermoeden.

Vindt het werk plaats? Expositie samengesteld door Daniel Buren. Kunstcentrum Witte de With, Witte de Withstraat 10, Rotterdam. T/m 22 mei. Di t/m zo 11-18u.

In de maand april van het jaar 1958 exposeerde Yves Klein (1928-1962) in de galerie van Iris Clert te Parijs Le Vide (de leegte). Klein had de galerie van onder tot boven wit geverfd, en een wit gordijn gehangen in de toegang tot de zaal. Dit diende om de 'picturale sensibiliteit' van de bezoeker te verhogen. Bovendien had hij voorafgaande aan de opening gedurende enige uren de ruimte, die volgens hem nog niet leeg genoeg was, met medewerking van een Japanse Zenboeddist 'leeg gedacht'. De expositie was een succes: ze trok veel belangstellenden die, zoals Klein naderhand vertelde, zich 'verpletterd' voelden door de leegte. Iris Clert verkocht Kleins Leegte in de vorm van een certificaat aan een Belgische verzamelaar.

Tijdgenoten zagen Kleins op Dada geënte kunstenaarschap als het juiste antwoord op de gevestigde kunst, en het symbool daarvan, het ezelschilderij. Zijn werk werd als bevrijdend ervaren, als een frisse start na de benauwende naoorlogse jaren. Klein stond aan het begin van een verschijnsel dat de geschiedenis in zou gaan als de 'Dematerialisatie van het Kunstobject', naar het boek dat Lucy Lippard in 1973 schreef. De titel duidt op conceptkunst in de breedste zin van het woord, variërend van Minimal tot Land Art; eigenlijk al die kunst die niet in het traditionele museum paste.

De musea pasten zich snel aan. Vanaf het einde van de jaren zeventig ontstonden overal in Europa en Amerika nieuwe musea met grote witte zalen die ook aan deze kunst onderdak konden bieden. Met een onstilbare honger halen musea sindsdien álle kunst, hoe anti-kunstig of rellerig ook, binnen hun muren. De tentoonstelling van Martin Kippenberger in museum Boymans-van Beuningen, compleet met catalogus en vitrine met literatuur, is daarvan het meest recente voorbeeld. Kippenberger veranderde de grote bovenzaal in een voetbalveld volgestouwd met oude meubels.

Gedurende een tiental jaren speelde de kunst zich echter grotendeels buiten het museum af: een utopisch tijdperk waarin men geloofde dat de barrières tussen de kunst en het gewone leven afgebroken konden worden.

Zébreur

Aan dit alles herinnert de tentoonstelling die onder leiding van Daniel Buren (56) ontstond in kunstcentrum Witte de With in Rotterdam. Eens per jaar nodigt Witte de With een kunstenaar uit om als gastconservator een tentoonstelling te maken. De keuze van de Fransman Buren is mede ingegeven door de huidige manifestatie van Franse kunst in Nederland. Buren heeft internationaal furore gemaakt met zijn verticale banen die hem de bijnaam Zébreur hebben opgeleverd. Zijn handelswerk is ontstaan uit verzet tegen de institutionalisering van de kunst en speelde zich lange tijd in de openbare ruimte af. Hij voorzag onder andere reclameborden en gevels van musea van zijn markiezenstrepen.

Buren verzocht voor de expositie in Witte de With acht collega's om een binnenruimte te bouwen van een maximale omtrek van 7 bij 7 meter en een maximale hoogte van 4 meter. In deze ruimtes konden zij ter plaatse vervaardigde werken of een keuze uit hun bestaande werk tonen. De deelnemers zijn de Italiaan Giovanni Anselmo (60), de Amerikaan Michael Asher (51), de Nederlanders Stanley Brouwn (59) en Krijn de Koning (31), de Belg Patrick Corillon (35), de Fransen Jacqueline Dauriac (49) en Thierry Kuntzel (46), en de in Parijs wonende Chinees Chen Zhen (49).

Het is een nostalgische tentoonstelling geworden, vol echo's van de leegte van Yves Klein. De expositie is bovendien opvallend eenvormig; de ideeën van de exposanten lijken op elkaar. Ze volgden de aanwijzingen van Buren tamelijk letterlijk op, en zagen er van af om kunstwerken in hun ruimte neer te zetten. De bijdrage van Brouwn is bijvoorbeeld een directe afleiding van het voorstel van Buren. Zijn werk bestaat uit een klein bordje met de tekst: 'Een denkbeeldige ruimte van 7x7x7 voet, in een denkbeeldige ruimte van 7x7x7 el, in een denkbeeldige ruimte van 7x7x7 stap, in een denkbeeldige ruimte van 7x7x7 meter, in een ruimte van Witte de With, Witte de Withstraat 50, Rotterdam'. Het tekstbordje hangt aan de muur in een lege zaal. Voor Brouwn, Zero-artiest van het eerste uur, is deze 'inzending' een logische voortzetting van zijn bezigheden in de afgelopen decennia. Brouwn telt bijvoorbeeld zijn voetstappen en zet al stappend onzichtbare lijnen uit in het landschap. Een bordje verwijst achteraf naar deze lijnen, zoals in het beeldenpark van museum Kröller-Müller.

Krijn de Koning bouwde een structuur die in zekere zin een uitvoering is van het concept van Brouwn. Vier witte muren met vensters omvatten weer vier muren met vensters waarbinnen nog eens vier muren met vensters. De ruimte van Zhen is bucolischer van aard maar even meditatief: een 'Grot van de introspectie', opgebouwd uit balen stro en een glazen wand gestut door een metalen frame. De bezoeker kan plaats nemen op een nadrukkelijk gammel krukje. Het stro geurt lekker zomers, dat wel.

Glimlach

Zo zijn er nog enkele ruimten te zien. In het geval van Kuntzel alleen van de buitenkant, want twee dikke houten deuren blokkeren de toegang. De bedoeling van de in het hout gegraveerde teksten 'I prefer not to' en 'What Maisie knew', verwijzingen naar Herman Melville en Henry James, ontgaat mij. Dauriac zag er juist van af om een ruimte te maken en maakte een 'Sans Abri'. Het bestaat uit glazen platen met de volgende aanwijzingen: '1. Denk aan iemand die u hier heeft ontmoet. 2. Kijk intensief naar de volgende persoon die u tegenkomt. 3. Buig uw hoofd 10 graden naar opzij en glimlach tegen alle mensen die u voortaan zult ontmoeten' - inderdaad het tegendeel van een beschutte plek.

Hoewel de deelnemers aan Burens project niet de eersten de besten zijn, is het een landerige en monotone expositie geworden. Zelfs Anselmo, de romantische Arte Povera-artiest die veel prachtige, sprookjesachtige werken op zijn naam heeft staan, stelt teleur. Hij maakte van gruis een quasi-landschap op de vloer. Een opengehouden baan in het midden moet een rivier voorstellen. In dit landschap staan vier diaprojectoren opgesteld, Particolari geheten naar het woord particolare dat ze projecteren. Particolare betekent bijzonder of eigenaardig en eigenaardig is dit alles wel, maar wat ik er verder mee aanmoet weet ik niet.

Doods

Ik wijt het mislukken van het project aan de dubbelzinnige opzet. Een van de regels van Burens spel was namelijk dat de genodigden niet op de hoogte zouden zijn van de plek waarvoor zij hun ruimte ontwierpen. Ik kan daarom niet anders concluderen dan dat Burens opzet bij het maken van deze expositie boosaardig was. Want de betreffende beeldende kunstenaars maken hun werk gewoonlijk 'op locatie', zoals het in jargon heet. Dit is ook de reden dat ze geen kunstvoorwerpen in hun ruimte laten zien, zoals Buren hen had verzocht. Hun werk is site specific. De inhoud ervan wordt medebepaald door de omgeving waar het te zien is. Maar nu was het hen verboden om te reageren op de plek. Het enige wat ze mochten weten is dat het om 'een bekend instituut' ging en dat er een mooie publikatie bij zou verschijnen. Het resultaat is dan ook een 'museale' tentoonstelling, keurig afgewerkt maar doods.

Buren heeft zich altijd tegen het museum afgezet omdat, zoals hij ooit zei, 'het museum zelfs de krachtigste, de meest prikkelende kunst verstikt'. Toch werkt hij de laatste jaren steeds vaker met musea samen. Het lijkt erop dat hij zich in Witte de With ten doel heeft gesteld om nog eens een handje te helpen bij dit effect van verstikking, door de exposanten hun wapens uit handen te slaan en ze te verbieden te reageren op de omgeving. Het is waar: wanneer deze kunstenaars niet 'reageren' blijft er van hun werk niet veel meer over dan loze dingen. Onlangs schreef ik dat Buren zich toelegt op het relativeren van de kunst, maar dan wel vooral de kunst van anderen. Daar is hij dus ook ditmaal goed in geslaagd, zij het met de volledige medewerking van de exposanten, die immers hadden kunnen weigeren.

Burens volgende project zal zich deze zomer afspelen in museum Boymans-van Beuningen. Hij bouwt daar een knalrode wand met zwart-witte strepen en spiegels die bestemd is voor de zaal waar Richard Serra zijn stalen Wassende Bogen voor ontwierp. Het model is momenteel op de bovenverdieping van dit museum te zien. De Serrazaal is door Wim Crouwel verbouwd tot restaurant en winkel. Burens wand moet de zaal zijn oorspronkelijke proporties teruggeven. De bedoeling is dat de Wassende Bogen weer tot hun recht zullen komen...