Plant als fabriek gedijt nog niet

Landbouwgewassen kunnen worden geteeld voor niet-voedingsdoeleinden. Er wordt veel mee geëxperimenteerd in laboratoria. Maar op het platteland is de agrificatie nog niet ver gevorderd. 'Dat is doodzonde'.

Akkerbouwer Leen Hanse heeft op een minuscuul deel van zijn 90 hectare landbouwgrond in het Zierikzeese buitengebied olifantsgras ofwel miscanthus geplant. In een hoekje van niet meer dan 30 are staan de ongeveer 2,5 meter hoge stengels van de bamboeachtige grassoort te zwiepen in de wind. Hanse stekt de wortels. De stekken verkoopt hij voor tussen de 60 en 70 cent aan onder meer een Duits bedrijf dat van het gewas dat er uitkomt biologisch afbreekbare plantepotjes maakt. Vorig jaar verdiende hij er 15.000 gulden mee, maar daarmee kon hij slechts zeer gedeeltelijk zijn verlies van 160.000 gulden op aardappelen en uien compenseren.

Het telen van landbouwgewassen voor niet-voedingsdoeleinden, zoals Hanse doet, heet agrificatie. Het lijkt de toverformule voor de noodlijdende boerenstand om in de toekomst het hoofd boven water te houden nu de gewassen als voedingsgrondstoffen steeds minder geld opleveren. Zoals Hanse zegt: “Ik ben boer en ik zal alles proberen om dat te blijven”.

Koolzaad verbouwen om er bio-diesel van te maken. Tarwe, suikerbieten en maïs voor bio-ethanol. Crambe, een kruidachtige plant met witte bloempjes voor het winnen van olie om er erucazuur van te maken voor onder meer niet klevende verpakkingsfolie. Cichorei of aardpeer voor inuline als (afbreekbare) milieuvriendelijke calciumvanger in waspoeder of als vet- en suikervervanger in voedingsmiddelen. Olifantsgras om er platen van te maken voor de bouw, matten in de weg- en waterbouw of gewoon om op te stoken als energiebron. Zelfs zouden er autocarosserieën van kunnen worden gefabriceerd. Aardappelzetmeel voor milieuvriendelijke patatbakjes.

In heel wat Nederlandse laboratoria en agrofabrieken wordt er naarstig mee geëxperimenteerd. Op het Nederlandse platteland daarentegen gonst het nog niet van de bedrijvigheid. Uit een Europees onderzoek bleek dat vorig jaar van de 3000 hectare braakliggende Nederlandse landbouwgrond een te verwaarlozen aantal hectare was ingeplant of ingezaaid met agrificatiegewassen. In Duitsland en Frankrijk daarentegen was dat respectievelijk 130.000 en 145.000 hectare. Maar in die landen is de agrificatie dan ook veel verder gevorderd. (Het benutten van de braakliggende akkers wordt door “Brussel” toegestaan mits de daarop verbouwde produkten worden gebruikt voor agrificatie).

“Het is in Nederland een beetje afwachten. Dat is doodzonde”, zegt secretaris drs. S. de Vries van de taakgroep agrificatie van het Landbouwschap. “Er wordt nauwelijks ingespeeld op de mogelijkheden die elders in Europa wel worden benut. In veel andere Europese landen bestaat al een beter uitgewerkt overheidsbeleid voor het op de markt brengen van agrificatieprodukten. Zo'n beleid moet er in Nederland ook komen, willen we niet in een geïsoleerde positie raken”.

Volgens De Vries is agrificatie vooral belangrijk wegens het milieuvoordeel. De stoffen vervangen vaak via chemische synthese uit petroleum gemaakte stoffen en zijn afbreekbaar. “Er zit dus veel meer aan vast dan alleen het boerenbelang. Maar de boeren kunnen wél een belangrijk aandeel eraan leveren. Door het inzetten van hun agrarische produkten kunnen ze het gebruik van fossiele grondstoffen verminderen en daarmee bijdragen aan het behoud van welvaart en welzijn”, aldus De Vries. Duurzame landbouw derhalve in optima forma.

Op 17 maart beloofde minister Bukman van landbouw in de Tweede Kamer accijnsvrijstelling voor grootschalige experimenten met bio-brandstoffen in het stads- en streekvervoer. Dit omdat wordt verondersteld dat bussen die op bio-brandstoffen rijden het milieu minder belasten. Vorig jaar adviseerde de Sociaal-Economische Raad om vooral in stedelijke gebieden grootschalige projecten met bio-brandstoffen te beginnen om het milieu-effect beter in beeld te krijgen. Sinds een aantal jaren rijden er in het gebied van de busonderneming GADO in Groningen drie bussen op bio-ethanol.

Dr. ir. L. de Nie, vice-voorzitter van het samenwerkingsverband Ontwikkeling Bio-ethanol uit Landbouwgrondstoffen (OLB), waarin Suiker Unie, CSM Suiker en Nedalco samenwerken, noemt Bukmans toezegging een 'belangrijke stap in de goede richting'. Hij ziet er een aanzet in voor een experiment met honderd bussen. De daarvoor benodigde bio-ethanol kan zonder dat er een fabriek hoeft te worden gebouwd geleverd worden door Nedalco. Voor de bouw van een fabriek voor bio-ethanol met een capaciteit die geleidelijk van 100.000 naar 300.000 kubieke meter per jaar kan worden opgebouwd - een plan dat bij OLB op de plank ligt - acht De Nie het nog te vroeg. “Dat vergt een investering van meer dan 100 miljoen en zo lang de overheid niet bereid is om op grotere schaal accijnsvrijstelling te geven is dat een te gewaagde onderneming”.

In Frankrijk wordt al op grotere schaal bio-brandstof geproduceerd en gebruikt. De weg kwam vrij nadat de landbouwminister een accijnsvrijstelling van tien jaar voor bio-brandstoffen toezegde. Oliemaatschappijen in dat land zijn bezig de capaciteit voor de produktie van bio-brandstoffen flink uit te breiden.

Vorige maand nam het Europese parlement het voorstel van de Europese commissie over voor een vergaande accijnsvrijstelling op bio-brandstoffen, maar door tegenstand van vooral de Britten gaat die reductie nog niet tot 90 procent zoals de Europese commissie voorstelde. Met accijnsreductie kan een aanzienlijk deel van de hogere kosten die het maken van bio-brandstoffen vergen worden gecompenseerd. Het maken van een liter bio-ethanol kost 1,20 tegen 50 cent voor een liter benzine en 45 cent voor een liter diesel tegen 1.10 tot 1.20 voor een liter bio-diesel. De Europese Commissie gaat er van uit dat over 10 jaar 5 procent van de brandstof zal bestaan uit bio-brandstof. Daarvoor zou 5 tot 6 miljoen hectare landbouwgrond nodig zijn. Een hectare koolzaad levert 1000 liter bio-diesel op, een hectare bieten 6000 liter bio-ethanol.

In de Verenigde Staten wordt nu al aan 8 procent van de benzine 10 procent bio-ethanol toegevoegd. Dat mengsel noemt men daar gasohol. In Brazilië rijdt al 80 procent van het wagenpark op bio-ethanol. In de Zweedse hoofdstad Stockholm rijden nu tientallen en binnenkort alle bussen op bio-brandstof. Dit alles wegens de milieu-voordelen: belangrijke beperking van de uitstoot van kooldioxide uit fossiele brandstof, zwaveldioxide, benzeen en stikstofverbindingen.

Bio-brandstof spreekt op dit moment bij de agrificatie het meest tot de verbeelding. Maar de vraag voor Nederland is of in de toekomst met dat doel op grote schaal landbouwgewassen zullen worden verbouwd omdat dat grote arealen grond vereist. Van de andere kant lijkt er ruimte genoeg vrij te komen, immers de Wetenschappelijke raad voor het regeringsbeleid voorziet dat het overschot aan landbouwgrond in Nederland in de komende jaren wel eens kan oplopen tot 200.000 hectare.

Het woord agrificatie is betrekkelijk nieuw; de activiteit op zich niet. Bij de Groningse coöperatie Abeve bijvoorbeeld wordt van oudsher een groot deel van het aardappelzetmeel afgezet in non-foodprodukten. Er worden daarvan zo'n 500 derivaten gemaakt variërend van kleefstoffen, bindmiddelen en oliën voor technisch gebruik tot papier- en textielverstevigers. Avebe richt zich nu op een nieuwe markt: die van bio-plastics, die voor 100 procent uit aardappelzetmeel worden gemaakt en daardoor voor 100 procent afbreekbaar zijn. Er zou vooral muziek zitten in toepassingen voor eenmalig gebruik: patatbakjes, plantepotjes voor de glastuinbouw, medicijnbekertjes en verpakkingsmateriaal. In een fabriek in Helmond (Suntray) worden patatbakjes uit aardappelzetmeel al voor de markt gemaakt. Een woordvoerder van de Avebe zegt: “Als we in de verpakkingen 5 procent van de wereldmarkt in handen zouden krijgen, zouden we 400.000 ton zetmeel nodig hebben en dat is de helft van onze zetmeelproduktie op dit moment”.

Cebeco-Handelsraad zaaide op 300 hectare akkerland, verspreid over het hele land, het gewas crambe in. Daaruit kan olie worden gemaakt voor het maken van erucazuur dat geschikt is als hulpstof bij het maken van niet-klevende verpakkingsfolie. Volgens directeur Onderzoek en Ontwikkeling van Cebeco-Handelsraad dr. A. Capelle stuit men echter op het probleem dat in de crambeolie verontreinigingen voorkomen met vetzuurcomponenten. Op dit moment wordt bekeken of en hoe die er uit kunnen worden gehaald. “Dan pas zal blijken of de teelt van crambe rendabel is om er mee door te gaan. Voorlopig is het dus even pas op de plaats met de teelt”, aldus Capelle. Voor dit jaar worden daarom die 300 hectare dan ook niet met crambe ingezaaid.

Directeur dr. ir. A.H. Eenink van het instituut voor agrotechnologisch onderzoek ATO in Wageningen zei onlangs in het blad Campagne van de Suiker Unie: “Agrificatie is absoluut geen wondermiddel. Bovendien is de laatste decennia het onderzoek naar non-foodtoepassingen van landbouwgewassen sterk verwaarloosd omdat er geen economische noodzaak was om naar alternatieve toepassingen te zoeken. Daardoor is een achterstand ontstaan waartegen we nog steeds vechten”. Het is volgens Eenink een illusie te menen dat er binnen korte tijd een groot aantal gewassen voor agrificatiedoeleinden beschikbaar zal zijn. In de agroindustrie verwacht men pas eind van deze eeuw een echte doorbraak. Capelle van Cebeco-Handelsraad, “Wil agrificatie überhaupt succes hebben dan moet je met produkten op de markt komen die het kunnen stellen zonder overheidssubsidies”.

Boer Hanse uit Zierikzee: “Het blijft ook met mijn olifantsgras gerommel in de marge zo lang de overheid niet bereid is om met subsidies industriële verwerking te ondersteunen. Daar is veel geld voor nodig. En dat hebben de boeren niet gezien de slechte economische omstandigheden”.

De Vries van de taakgroep agrificatie van het Landbouwschap: “Agrificatie dient in mijn ogen weliswaar in de eerste plaats een milieubelang, maar als bijkomend voordeel voor de boeren kan gelden dat als de ontwikkeling goed van de grond komt, de overschotten op de voedselmarkten zullen verdwijnen waardoor de prijzen weer zullen stijgen en de boeren weer een beter inkomen kunnen krijgen”.

Maar van de andere kant moet men er volgens De Vries voor waken te hoge verwachtingen te wekken. “Veel gaat kapot omdat men de toegevoegde waarde vaak gigantisch overdrijft. Olifantsgras bijvoorbeeld. Dit Nederlandse initiatief is prachtig, maar men zei dat er per hectare 40 ton van kan worden geoogst terwijl het in werkelijkheid slechts de helft is. Dan ontstaat bij de boeren de indruk dat hun dingen worden voorgehouden die niet realistisch zijn en dan haken ze af”.

1) Themanummer 19NU over agrificatie, mei 1993;

2) Campagne, uitgave van de Suiker Unie, maart 1994.

3) Erik Hanse, Olifantsgras, het gewas voor de toekomst, scriptie.

    • Max Paumen