Peter de Zwaan

Peter de Zwaan: Coon. Uitg. Het Spectrum, 219 blz. Prijs: ƒ 24,90

De straat als ijkpunt voor het leven. In de boeken van Peter de Zwaan is het de Daranstraat, waar waardigheid een rekbaar begrip is. Neem Coon, de titelheld van zijn derde misdaadroman (na het sterke Dietz en het zwakkere Samake): een meisje ontvoeren om haar vader tot financiële mildheid te bewegen valt binnen de ethiek van de buurt, een meisje beroven dat net van acht hoog naar beneden is gesprongen (geduwd?) daarbuiten. Volgens Coon. Maar de buurt stroomt over van lieden die het begrip waardigheid willen oprekken. Tomes, Sol, Carax. Lieden die zozeer niet deugen, dat 'hun moeders liever een hond hadden gebaard'.

Het opvallende van De Zwaan is dat het lijkt alsof hij zijn personages een naam en achtergrond geeft, en pas daarna een rol in het verhaal. Hij loopt door de Daranstraat, wijst zijn lezers iemand aan en vertelt over hem. Tot ver over de helft van het boek duiken zo nieuwe personages op: Gwynne, Ottovre, Cabote. De straat is lang, en op driekwart, wanneer De Zwaan in de vorm van een krantebericht de zaak samenvat, merkt de lezer dat er verrassend weinig is gebeurd.

De plot is buitengewoon dun, maar hoogst aantrekkelijk aangekleed, zoals een annorexia-meisje er in een goedgekozen bontmantel nog stevig uit kan zien. In het boek had zo'n meisje één van die mantels tijdens een modeshow moeten dragen, maar ze is dood. Volgens de politie heeft ze zelfmoord gepleegd, maar de logica van de straat bepaalt dat zelfmoordenaars van de hoogste verdieping springen en haar vriend woonde twee verdiepingen lager.

Woorden hebben bij De Zwaan scherpe randen, ze zijn met venijn gekozen. De personages praten naar ze handelen en andersom. Dit is iets dat in de vaderlandse misdaadliteratuur maar zelden voorkomt. En ze hebben humor, scherp als een stiletto.

    • Eric Slot