Overzicht van het Franse impressionisme; De ontluistering van een jongensboek

Bernard Denvir: De kroniek van het Impressionisme; het levensverhaal van de meest geliefde schilders van dag tot dag. Uitg. H.J.W. Becht, 288 blz. Prijs ƒ 89,90.

De kroniek van het Impressionisme gaat verder dan de tot dusver verschenen boeken over deze stroming, belooft het persbericht van de uitgeverij. Dat mag ook wel, want er is geloof ik geen kunststijl die zo is bezongen als het Franse impressionisme; niet alleen in boeken overigens, ook in films. De opkomst en overweldigende invloed van Manet, Degas, Pissarro, Monet, Renoir en Cézanne - om alleen de bekendsten te noemen - wordt immers vaak als een veredeld jongensboek gepresenteerd. Angry young men zouden ze zijn geweest, die de verouderde Salon bestormden en na verguizing en armoede ten slotte een immense populariteit verwierven. De enorme bedragen die onlangs voor schilderijen van deze kunstenaars werden neergeteld, versterken die romantische belangstelling.

De Engelse historicus Bernard Denvir nuanceert deze gepopulariseerde zienswijze nu door een overweldigende hoeveelheid feiten en feitjes over de ongeveer twintig bij deze stroming betrokken kunstenaars op te dissen. In de vorm van een logboek trekken gebeurtenissen tussen 1863 en 1900 van maand tot maand minutieus aan de lezer voorbij. Persoonlijke wederwaardigheden van de helemaal niet zo rebelse heren en een enkele dame komen aan de orde; de meesten waren noodgedwongen refusés, zoals langzamerhand wel bekend is, en streefden juist naar officiële erkenning. Edouard Manet wilde het liefst traditionele genres als het historiesschilderen beoefenen en beeldde zelfs een heuse zeeslag uit. Verder is er aandacht voor de veelbeoefende kunstkritiek in de Franse bladen, waarbij opvalt dat het vaak schrijvers waren, vooral Zola en Mallarmé, die het impressionisme verdedigden. Ook de rol van de opkomende groep kunsthandelaren komt aan bod en de mate waarin de vaak armlastige kunstenaars financieel afhankelijk waren van de invloedrijke Durand-Ruel; hij was het die veel heeft gedaan om hun kunst bekendheid te geven, ook in het buitenland.

Denvir lardeert dit soort kunsthistorische thema's met kolommen waarin hij de turbulente geschiedenis van Frankrijk uiteenzet. Zo moesten diverse kunstenaars onder de wapenen tijdens het Duitse beleg van Parijs, wat Denvir documenteert met brieffragmenten. Ook beschrijft hij ontwikkelingen op natuurwetenschappelijk en economisch gebied. In blokjes onderaan de bladzij vermeldt hij nog dat bijvoorbeeld Marx de eerste Internationale oprichtte, of dat de fonoloog is uitgevonden.

Die kaleidoscopische presentatie maakt het boek niet geschikt om van kaft tot kaft te lezen, het lijkt eerder bedoeld - ondanks de polulaire ondertitel die de Nederlandse uitgever het meegaf - voor ingevoerden die een noodzakelijke selectie kunnen maken uit de soms wel heel gedetailleerde informatie. Het is leuk om te vernemen dat het model dat voor Manets Olympia poseerde dezelfde is als de naakte vrouw in Le Dejeuner sur l'herbe (Victorine Meurent), maar wat moeten we met de vermelding dat Renoirs ouders in augustus 1868 van Ville d'Avray naar Louveciennes verhuisden? Wel ter zake zijn de vermeldingen van verkoopprijzen, maar ze duiken te willekeurig op om een beeld te geven van de fluctuaties op de kunstmarkt of de inkomsten van de kunstenaars. Jammer dat Denvir dit soort gegevens niet systematisch in grafieken heeft ondergebracht, bijvoorbeeld als aanhangsel achterin. Dat die gegevens voorhanden zijn, blijkt wel uit specialistische studies als Canvases and Careers van Harrison en Cynthia White dat drie jaar geleden verscheen en dat de enorme vlucht van de kunsthandel en de gevolgen voor de prijsontwikkeling tot onderwerp heeft. Denvir lijkt soms te denken dat hij de eerste is die een studie van het Impressionisme maakt, en laat door anderen opgedolven, kostbaar materiaal liggen. Voor de leek zal bovendien storend zijn dat Denvir nergens verklaringen geeft of interpretaties van feiten - iets wat de specialist nu juist een verademing vindt.

Deze tussen naslagwerk en dagboek heen en weer bewegende tijdsdoorsnede is daarom voor kunsthistorici een welkome aanvulling op de vele literatuur over deze periode. Passages als die over het eetgedrag van de gastronoom Monet zijn niet alleen geestig, maar werpen ook een veel levendiger beeld op die tijd dan zelfs de uitgegeven brieven van de schilders vermochten. Onthullend is een paragraaf over de burgerlijke houding van onder meer Cézanne en Renoir die vaak levenslange verhoudingen hadden met een favoriet model of met een dienstmeisje, maar daar niet openlijk voor uit wilden komen omdat het hun 'stand' geen goed zou doen. Renoir maakte het duidelijk het bontst van allemaal met uitspraken als 'ik houd het meest van vrouwen als ze niet kunnen lezen', want 'wat vrouwen eventueel winnen bij onderwijs, verliezen ze op andere gebieden'.

En de chronologische ordening is, hoewel soms duizelingwekkend, toch een vondst; meestal worden de kunstenaars en hun ontwikkeling in afzonderlijke hoofdstukken behandeld, waardoor onderlinge beïnvloeding verdoezeld wordt achter het beeld van volstrekt eigenzinnige genieën. Nu wordt een beeld opgeroepen van 'mensen van hun tijd', die weliswaar artistieke vernieuwers waren maar niet vrij blijken van al te menselijke zaken als het slinks omzeilen van de machtige handelaars (zoals Renoir en Pissarro deden) door rechtstreeks uit het atelier te verkopen en daarmee de procenten van de bemiddelaar in eigen zak te steken. Niets nieuws onder de zon overigens.

    • Renée Steenbergen