Ontketen het daglicht; Egyptische kunstenaars tegen fundamentalistische censuur

De fundamentalistische hoeders van de islamitische moraal in Egypte zijn sterk, zeer sterk. Acteurs en schrijvers die het tegen hen opnemen worden door moslim-extremisten met de dood bedreigd. Maar bang zijn ze niet. Want is Egypte traditioneel niet tolerant?

In Kairo slaat de film Al Irhabi alle records. Al een maand draait hij in negen bioscopen, en toch werd vorige week nog slag geleverd om de kaartjes. Het is een slechte film, daar niet van. Een magere remake van een uit 1959 stammende film, oordeelde een criticus. Toch wordt de film wijd en zijd als zeer belangrijk aangeduid. Men ziet er een bewijs in dat de regering eindelijk heeft besloten de zijde van intellectuelen en kunstenaars te kiezen in hun oorlog tegen de moslim-activisten.

Al Irhabi is Arabisch voor 'de terrorist'. Deze terrorist steekt in naam van de islam videoshops in brand, knuppelt arme winkeleigenaars ongelukkig en pleegt moordaanslagen op intellectuelen, militairen en toeristen. Maar tegelijk verlustigt hij zich in de aanblik van wulpse vrouwen en valt hij voor datgene waarvan hij zich als fanatiek gelovige verre hoort te houden: een mooie, moderne, ongesluierde vrouw. De boodschap is duidelijk: wat de extremisten doen heeft weinig met de islam te maken.

De Terrorist zet de dodelijkste van alle dodelijke wapens in: de lach. De zaal, gesluierd en ongesluierd dooreen, giert het uit om de terrorist. Maar de èchte extremisten zijn razend. Alle medewerkers aan de film zijn inmiddels met de dood bedreigd en Arabische landen die nog in een coëxistentie met de fundamentalistische oppositie geloven - Jordanië, Libanon - hebben de film verboden. Maar in Syrië, waar de regering twaalf jaar geleden met harde hand een eind maakte aan een moslim-fundamentalistische opstand, is hij op de televisie getoond.

De terrorist wordt gespeeld door Adel Imam, een acteur die wordt aanbeden door het Egyptische publiek. Hij is al niet zo jong meer en zeker niet knap: typisch een man in wie veel gewone burgers zich kunnen herkennen. Imam neemt het al jaren op tegen moslim-extremisten die met hun aanslagen op intellectuelen, regeringsvertegenwoordigers en toeristen de regering Mubarak ten val proberen te brengen. Enkele jaren geleden trad hij op in Assiut, een brandhaard van geweld ten zuiden van Kairo, hoewel hij met de dood was bedreigd. “Ik tart iedereen die schietwapens draagt en met lange messen en ijzeren kettingen zwaait om de leden van de amusementsgemeenschap angst aan te jagen. Ik ben niet bang en ik zal me niet overgeven,” zei hij toen. Hij liep in 1992 vooraan in de rouwstoet voor de liberale schrijver Farag Foda, die fundamentalisten had gekritiseerd en dat met de dood had moeten bekopen, en schreeuwde anti-fundamentalistische leuzen.

Het is niet verwonderlijk dat Imam de rol van zondige terrorist speelt. Opmerkelijk is dat de regering de film toestond, ja hem zelfs omarmde. Bij de opnamen stelde ze pantservoertuigen ter beschikking. Ook liet ze de film in snel tempo de censuur passeren, al maakten de filmmakers eveneens het ongebreideld gebruik van geweld door de regering tegen moslim-extremisten belachelijk. Minister van binnenlandse zaken Hassan al-Alfi bedankte Adel Imam persoonlijk dat hij zo moedig was geweest deze rol op zich te nemen.

Afgewimpeld

De houding van de regering ten aanzien van kunstenaars is veranderd, zegt de koptische schrijver Edwar al-Kharrat. “Ten goede, ter verdediging van haar voortbestaan.” Veel schrijvers en dichters hebben moeite met deze nieuwe bondgenoot, die immers zelf voor de huidige crisis verantwoordelijk is - door haar corruptie, door haar weigering de macht ook maar enigszins te delen, door armoede en sociale onrechtvaardigheid te laten voortwoekeren. Had ze maar tien jaar geleden ingegrepen, dan was het zover niet gekomen, verzucht de een. Voor de ander zijn openheid en democratie het tovermiddel om de fundamentalistische bedreiging weg te vagen, al weet iedereen dat hiervan vooralsnog geen sprake is.

Vraagtekens worden gezet bij de duurzaamheid van het nieuwe beleid. Veel leden van de regeringspartij worden ervan verdacht achter de schermen voor de fundamentalistische oppositie te werken, om zich in te dekken voor de toekomst. Kritiek is er ook op het geweld dat de autoriteiten gebruiken tegen de moslim-extremisten. De linkse dichter Zein Al Abedin Fouad schreef vorig jaar: (Kairo) je wordt omgord door onderdrukking die tracht je te bezitten

Je wordt omgord door armoede

verscheurd tussen de soldaten van de Wali en de dolken van de Emirs.

De Wali is het gezag, de Emirs zijn de extremisten.

Toch aanvaarden bijna alle kunstenaars de uitgestoken hand van de regering, zij het onwillig.

Jarenlang heeft de Egyptische regering concessies gedaan aan de moslim-fundamentalisten, om haar handen vrij te houden voor de strijd tegen de gewapende extremisten. De intellectuelen en kunstenaars waren de verliezende partij. Radicale moslim-predikers werden op de televisie toegelaten, ook al verketterden ze de regering. Maar televisieseries van seculiere auteurs haalden het scherm niet. Moslim-activisten probeerden de geleerde Abu Zeid van zijn vrouw te scheiden onder verwijzing naar zijn 'atheïstische' geschriften. De regering keek de andere kant op.

Deze praktijk van concessies dateert al uit de tijd van wijlen president Anwar el-Sadat, die een verbond sloot met de fundamentalistische Moslimbroederschap om de linkse oppositie te bestrijden. Hij deelde wapens uit en moedigde de fundamentalisten aan zich te organiseren. Maar uiteindelijk werd hij vermoord, in 1981, door dezelfde fundamentalisten. “Sadat dacht zich te kunnen laten beschermen door een jonge tijger. Hij voedde en koesterde het dier, dat hem ten slotte opvrat,” stelt de voormalige opperrechter Mohamed Said al-Ashmawy, die fel campagne voert tegen de islamitische scherpslijpers. “We lijden nu onder de gebeurtenissen van toen,” zegt de dichter Zein al Abedin Fouad. Het moslim-fundamentalisme heeft de kans gegrepen zich te organiseren; links is weg, versnipperd.

Krijsen

Fouad heeft Sadats campagne tegen links aan den lijve ervaren. In 1973, tijdens de Oktoberoorlog, reciteerde hij in aanwezigheid van Jihan Sadat, de echtgenote van de toenmalige Egyptische president: Explodeer O Egypte

Explodeer in oorlog, ontketen het daglicht

Tegen honger

Tegen drukkende droefheid

Tegen de Tataren

Fouad diende toen in het leger in de Sinaï, maar had van zijn commandant enkele uren verlof gekregen om met twee andere dichters in het gebouw van de regeringspartij enkele gedichten voor te lezen. “Plotseling begon een vrouw, Jihan Sadat, te krijsen,” zegt hij, “'er is geen honger in Egypte!! Er is geen armoede in Egypte!!' ” “Sadat zorgde ervoor dat mijn naam in geen enkele krant meer kwam. Ik kon geen gedicht meer publiceren in Egypte.” Fouad ging de gevangenis in en uit - zoals zovele intellectuelen en kunstenaars in die tijd zonder formele aanklacht.

Onder Sadats opvolger Mubarak is de regeringscensuur op literatuur afgeschaft. Nu gaat een schrijver of dichter met zijn werk naar de Algemene Boek Associatie, de staatsorganisatie die bijna alle Egyptische boeken uitgeeft, en laat het drukken. Als de regering iets niet bevalt, om redenen van staatsveiligheid bijvoorbeeld, komt de rechter er in principe aan te pas.

De vette adder onder het gras is de Al Azhar universiteit, de islamitische Cerberus die sinds jaar en dag de regering adviseert over boeken die een raakvlak hebben met de islam. Op advies van de Al Azhar werd bijvoorbeeld in 1959 het boek Gabalawi's kinderen, van de latere Nobelprijswinnaar Naguib Mahfouz, verboden wegens belediging van de profeten van de islam. Langzaam maar zeker leek de Al Azhar de macht naar zich toe te trekken om als hoeder van de moraal boeken daadwerkelijk te verbieden: de autoriteiten, die in de strijd tegen het geweld van de moslim-extremisten niet ook de Al-Azhar als vijand wensten, keken de andere kant op.

Maar de Al Azhar verslikte zich in Mohamed Said al-Ashmawy, die al in 1980, nog onder Sadat, door de minister van godsdienstzaken tot afvallige was gebrandmerkt en daarmee feitelijk vogelvrij was verklaard. “God wilde dat de islam een godsdienst was, maar de mensen wilden er politiek van maken,” stelt Ashmawy. Dat dit leidt tot despotie en andere kwade zaken, beschrijft hij in een boek als Het Islamisme tegen de islam. De Raad voor Islamitisch Onderzoek - de speciale afdeling van de Al Azhar die waakt over het islamitisch gehalte in beeld en geschrift - verwijderde in januari 1992 vijf van Ashmawy's werken van de internationale boekenmarkt. Ashmawy liet het er niet bij zitten: “Ik wees president Mubarak erop dat de Al Azhar geen enkel wettelijk recht heeft om ook maar één boek te verbieden. Mubarak gaf opdracht de maatregel van de Al Azhar ongedaan te maken.”

De Raad voor Islamitisch Onderzoek bleek een snelle leerling. De volgende keer gingen de sjeiks van de Al-Azhar niet meer zelf naar de boekenmarkt, maar belden de grote staatsuitgeverij op met het verzoek bepaalde boeken uit de handel te nemen. En die deed dat, zonder de auteurs in te lichten.

Stiekem

Edwar al-Kharrat, door Doris Lessing met Proust vergeleken, was zo'n auteur. Het gewraakte werk was zijn internationaal geprezen Scheppingen van Vliegend Verlangen (1990). Eind 1992 ontdekte hij dat het boek niet meer te krijgen was. Het was weggehaald door de Boek Associatie op instructie van de Al Azhar. “De Al Azhar had het al eens eerder geprobeerd,” zegt Kharrat, “maar de toenmalige directeur van de Boek Associatie had dat afgewimpeld: 'u bent niet mijn chef'. Nu zat er een directeur die zei de opinie van een lang gevestigde godsdienstige organisatie te respecteren.” Aanstootgevend vond men een passage waarin waarin Kharrat een schildersmodel beschreef. “Het had niets te maken met de islam,” zegt hij.

De zaak werd teruggedraaid in januari van dit jaar, toen president Mubarak de kwestie op de internationale boekenmarkt aan de orde stelde. In Egypte wordt geen enkel boek in beslag genomen, zei de president volgens Kharrat, zelfs niet door de Al Azhar. “De volgende ochtend waren mijn boeken weer verkrijgbaar.”

Het is een typisch Egyptische manier van doen: boeken stiekem weghalen maar niet verbieden. En omgekeerd: boeken verbieden maar toestaan dat ze, uitgegeven in Beiroet of Parijs, onder de toonbank worden verkocht. Of een auteur wegens godslastering veroordelen, maar het vonnis niet bevestigen en laten verlopen. Illustratief is ook de levensloop van Ashmawy, die als geloofsafvallige werd verketterd, maar wel rechter en zelfs president van het staatsveiligheidshof kon worden.

Buikdanseressen

Op de televisie - veel invloedrijker dan het geschreven woord - was de toestand tot voor kort veel ernstiger: die was overwoekerd door de fundamentalistische islam. Radicale geestelijken als sjeik Omar Abdel Kafi, gespecialiseerd in het bekeren van actrices en buikdanseressen, en sjeik Sharawi hadden er vrij spel. Religie beperkte zich niet tot de ongeveer dertig procent religieuze programma's. De dichter Fouad, die een sportliefhebber is, herinnert zich een vraaggesprek met een voetbalcoach: waarom had zijn ploeg verloren? Als antwoord gaf de man een lezing over de islam die erop neerkwam dat de nederlaag de wil van God was, en niet het resultaat van fouten van het team. De trainer van de Egyptische ploeg zei op het wereldkampioenschap handbal voor junioren: “Vergeet de tactiek! Ik heb iets anders aan mijn spelers overgedragen - geloof in God!”

De televisie bezit een eigen censor, en die stuurt volgens het officiële maar kritische weekblad Rose al-Yousef routinematig scripts naar de Al Azhar voor goedkeuring. Tegelijk zorgt de commercie voor zelfcensuur. Veel particuliere ondernemingen die televisie-produkties leveren, maken pas winst als ze hun programma's kunnen doorverkopen aan Saoedi-Arabië en andere Golfstaten die streng in de leer zijn. “De censor zit in het hoofd van de scriptwriter,” zegt Fouad. Saoedische censors worden als consulent ingehuurd: “Er wordt niet gekust, als een man en een vrouw samen in beeld zijn staat altijd een deur open”.

Maar op het ogenblik is er ook op de televisie duidelijk iets aan het veranderen. Omar Abdel Kafi mag niet meer op het scherm; hij mag trouwens helemaal niet meer preken. Sjeik Sharawi spreekt tegenwoordig de taal van de overheid. En voor de vastenmaand Ramadan, wanneer altijd speciale soap-series worden uitgezonden, stond ditmaal De Familie op het programma. Deze serie, die drie jaar lang in de kast heeft gelegen, wordt beschouwd als een even belangrijke mijlpaal als De Terrorist. De boodschap, uitgedragen door de vader van de familie, is dezelfde: moslim-extremisten zijn on-islamitische criminelen, en niets anders. Hun argumenten hebben niets met de islam van doen. Toen de auteur in één aflevering een theologische vergissing maakte, werd die onmiddellijk door de Al Azhar afgestraft: de huisvader werd gedwongen op het scherm zijn woorden te rectificeren. Maar de strekking bleef onaangetast. Nog drie dergelijke produkties staan op stapel.

Immuun

De Al Azhar heeft recentelijk echter ook een overwinning geboekt, toen een rechtbank, de staatsraad, oordeelde dat de universiteit het laatste woord heeft ten aanzien van films, televisie, videomateriaal en muziek, voor zover deze de islam raken. De Al Azhar mag zelf uitmaken of de islam al dan niet in het geding is, en hoogstwaarschijnlijk zal die proberen de grenzen zo wijd mogelijk te trekken.

Veel kunstenaars schreeuwden moord en brand, maar aan de andere kant was het weer een typisch Egyptische uitspraak: het gaat hier om een opinie van de staatsraad, niet om een beslissing. Adel Abbud, onderdirecteur van de staatscensuur op theater, film, video en audiocassettes, wil er bijvoorbeeld niets van weten. “Wet 430 uit 1955, aangepast door wet 38 uit 1992, bepaalt dat dit departement de enige autoriteit is voor het censureren. Als we op het gebied van godsdienst de mening van de Al Azhar nodig hebben, vragen we die.”

Temidden van alle tumult over de uitspraak onderstreepte de sjeik Al Azhar, Egyptes hoogste religieuze autoriteit, dat zijn instituut de plicht heeft 'de correcte gedachte en de juiste opinie' te beschermen tegen 'afwijkende opinies'. “De Azhar confisqueert niemands denken, en vormt geen obstakel voor meningen,” stelde hij tegenover de Saoedische krant Asharq al-Awsat. “Zoals we de mens tegen ziekten beschermen, moeten we ons intellectuele en culturele leven tegen perverse gedachten en afwijkende opinies immuniseren. Anders worden mensen misleid en wordt moslims twijfel ingeprent over hun geloof en de religieuze wet.”

De laatste vraag aan Fouad, aan Ashmawy, aan Kharrat, en anderen luidt steeds weer: gelooft u dat de fundamentalisten, al dan niet met geweld, uiteindelijk zullen winnen? Dat de Al Azhar, of erger, de extremisten zullen bepalen wat u schrijft? Bent u bang?

Nee, zij zijn niet bang. De regering is zwak en niet te vertrouwen, zij is angstig en dubbelhartig. Maar is Egypte traditioneel niet gematigd en tolerant? Is het geen smeltkroes van culturen?

    • Carolien Roelants