Ontgoocheld en van applaus verstoken; De personages van Raymond Carver

Niemand is een grote held in de verhalen van de Amerikaan Raymond Carver. Verblind, verdoofd en verlamd door teleurstelling vechten zijn personages tegen de onvoorspelbaarheid van het leven. Negen verhalen en een gedicht van Carver vormden de basis voor Robert Altmans film Short Cuts, die komende week in première gaat: een mozaïek van kleine en minder kleine tragedies.

Ter gelegenheid van de film van Robert Altman (première 28 april) verscheen de bundel Short Cuts, met de negen verhalen en het gedicht van Raymond Carver waarop de film gebaseerd is: uitg. Harvill, 157 blz. Prijs ƒ 25,60. Een ruimere selectie van Carvers verhalen is te vinden in de bundel Where I'm Calling From (Random House, ƒ 36,25). Bij uitgeverij Prometheus verschijnt deze week de vertaling van Short Cuts (ƒ 24,90).

'Het telefoontje kwam middenin de nacht, om drie uur 's ochtends, en we schrokken ons bijna dood.' Dit begin van zijn verhaal 'Whoever Was Using This Bed' uit de bundel Elephant, de laatste die voor zijn dood in 1988 verscheen, geeft precies aan wat Raymond Carver je keer op keer aandoet met zijn eerste regel. Trriiinnng! Je neemt met bonkend hart en droge mond de hoorn van de haak en nog voordat je 'hallo?' hebt kunnen zeggen begint een wildvreemde op indringende toon tegen je te praten en je bent te overrompeld en te gefascineerd door wat je te horen krijgt om de spreker te onderbreken, ook al weet je dat je dat eigenlijk wel zou moeten doen omdat het om uiterst persoonlijke dingen gaat. Bovendien bekruipt je het bange vermoeden dat het verhaal elk moment een pijnlijke wending kan nemen en als dat gebeurt - en dat doet het geheid - is het te laat om nog op te hangen. Tegen die tijd is de stem bij je oor al een stem in je kop geworden en deel je onherroepelijk in het zinkende gevoel in de maag van de man wiens moeder telkens verhuist om op zijn schuldgevoel te werken ('Boxes'), of van de vrouw wier man het lijk van een meisje drie dagen in een rivier heeft laten liggen omdat hij en zijn twee maten hun vistripje niet wilden onderbreken ('So Much Water Close To Home'), of de man en de vrouw die zich in een bar door een aangeschoten Vietnamveteraan zo laten intimideren dat elke lust tot een affaire hen vergaat ('Vitamins').

Wie een indruk wil krijgen van het soort mensen dat het universum van Raymond Carver bevolkt moet zeker de film Short Cuts gaan zien die aanstaande donderdag in Nederland in première gaat. Daarin knipt regisseur Robert Altman volgens dezelfde episodische methode die hij eerder in Nashville toepaste, negen verhalen en een gedicht van Carver in kleine stukjes, om deze vervolgens weer aan elkaar te plakken tot een ruim drie uur durend mozaïek van kleine en minder kleine tragedies. Een film die, met een knipoog naar Altmans onverwachte hit van twee jaar terug, The Player, eigenlijk The Players zou moeten heten - zozeer wordt de kracht ervan bepaald door de acteurs die Carvers personages vlees en bloed geven. Maar hoe goed er ook geacteerd wordt en hoe kunstig Altman de verschillende verhaallijnen ook met elkaar heeft verweven, het is beslist niet 'de roman die Carver nooit schreef', zoals wel wordt beweerd.

Al was het alleen maar vanwege de melodramatische banaliteit van het door Altman zelf verzonnen verhaal waarmee de diggels van Carvers verhalen aan elkaar gelijmd worden: de verstoorde relatie van een moreel geruïneerde nachtclubzangeres (die de hele film door maar niet ophoudt met het zingen van op de rand van de parodie balancerende levensmoeie songs), met haar neurotisch cello-spelende dochter die - en dat is geheel tegen de regels - uiteindelijk zelfmoord pleegt. In het echte 'Carverville' pleegt niemand zelfmoord, niet in één keer in ieder geval, en zeker niet met voorbedachten rade. De tragiek én heroïek van Carvers personages schuilt juist in het feit dat ze nooit genoeg redenen zouden kunnen verzinnen om er zelf een eind aan te maken. Ook de dreiging van de twee typisch Californische catastrofes waarmee Altman zijn tapijt van alledaagse drama's afzoomt - het geraas van een zwerm helicopters die aan het begin van de film fruitvliegvergif boven L.A. uitsproeien en de aardbeving aan het eind - zijn, hoe spannend ook gefilmd, een te geforceerde en te letterlijke verbeelding van de naam- en gezichtsloze apocalyps die een groot deel van de Amerikaanse literatuur in het algemeen en de verhalen van Carver in het bijzonder beheerst: het 'unheimliche' gevoel dat men elk moment de rekening gepresenteerd kan krijgen voor een erfzonde waarvan niemand weet wat die is.

Ontbijttent

'Ontgoocheld en van applaus verstoken' zo heeft Carver het leven van de personages uit zijn verhalen wel eens genoemd: een leven als dat van zijn eigen vader, die in Yakima in de staat Washington, waar Carver is opgegroeid, erop toe moest zien dat de zagen in de houtfabriek scherp bleven en verder 'maar een beetje in huis rondhing en zat te tobben over wat nu, en wat er in zijn leven mis was gegaan dat hij zo beroerd terecht was gekomen'. Of het leven van zijn moeder die serveerster was in een ontbijttent en elke nieuwe whiskeyfles die het huis binnenkwam stiekem voor de helft in de gootsteen leeggoot om 'm daarna weer op te vullen met water, maar niet kon voorkomen dat zijn vader zich dooddronk.

Zijn eigen leven begon niet veel hoopvoller. Op zijn achttiende maakte hij een meisje zwanger ('ze kende Latijn!') en twee jaar later was hij vader van twee kinderen, werkte overdag om aan geld te komen een reeks domme baantjes af en schreef 's nachts, aangemoedigd door John Gardner, zijn docent aan Chico State College in California, korte verhalen. Hij kreeg een kleine beurs om een workshop te volgen in Iowa City en daar kwam hij op een middag, ergens in het midden van de jaren zestig, terwijl hij in een wasserette op een vrije droger zat te wachten, tot het besef dat zijn leven zoals het nu was en waarschijnlijk wel zou blijven niet meer dan 'dubbeltjes en stuivers' was, 'een duistere chaos, zonder een sprankje hoop'. De oplossing was alcohol, heel veel alcohol, en toen in 1976 zijn eerste verhalenbundel Will You Please Be Quiet Please uitkwam, bevond zijn leven zich op een akelig dieptepunt: 'Ik was 37, zwaar alcoholist en gescheiden van mijn vrouw en kinderen - een verdwaalde kogel.'

Kort daarop, op 2 juni 1977 om precies te zijn (elke bekeerde alcoholist herinnert zich nog exact de datum van zijn laatste glas) stopte hij na een blackout van drie dagen met drinken, en weer niet veel later ontmoette hij de dichteres Tess Gallagher met wie hij de laatste elf jaren van zijn leven zou delen - en die waren, zoals hij in een gedicht uit de postuum verschenen bundel A New Path To The Waterfall heeft geschreven, 'gravy, pure gravy'. Hij begon weer te schrijven, werd door de bundels What We Talk About When We Talk About Love uit 1982 en met name Cathedral uit 1984 wereldberoemd als 'de man die het korte verhaal opnieuw had uitgevonden' en was door een aantal genereuze stipendia voorgoed van zijn geldzorgen bevrijd. Op 2 augustus 1988 stierf hij in Port Angeles op het Olympic Peninsula, 50 jaar oud, met tegenzin maar tevreden, aan kanker.

Achteraf zei Carver zich zijn alcoholische jaren alleen nog te herinneren als een 'wasteland, waar af en toe een dokter of de politie binnenviel', maar in al zijn, over elf bundels verspreide verhalen en gedichten is het precies deze vergeten existentiële woestenij waarin zijn personages zich moeten zien staande te houden - wat ze, met de moed der wanhoop, meestal nog lukt ook. Ze hebben geen baan of een rotbaan en matige, stukgelopen of stuklopende relaties, en kampen verblind, verdoofd en verlamd door teleurstelling tegen de duistere onvoorspelbaarheid van het leven. Carver beschrijft ze in zijn verhalen - vaak op een punt dat ze de laatste meters grond onder hun voeten dreigen te verliezen - in een taal die in haar door eindeloos herschrijven gestileerde eenvoud, helderheid en directheid, de toon en het ritme van het gesproken woord en de precisie in de tekening van de wereld der dingen sterk aan Hemingway doet denken, maar dan zonder diens romantische egotisme. Niemand is zo'n grote held in de verhalen van Carver, ook de schrijver zelf niet, en het decor wordt niet bepaald door de slagvelden van Frankrijk, de bergtoppen van Afrika of de stierevechtersarena's van Spanje, maar door het winkelcentrum, de achtertuin, de 'diner' en de woonwagenparken van 'small town America'.

Deze terugkeer naar een kleinschalige, non-intellectuele, a-politieke verteltrant is, in onderscheid van de naar Europa lonkende experimentele en academische bouwsels die daarvoor in de Amerikaanse literatuur de toon aangaven, vaak in verband gebracht met het mentale trauma van de Vietnam-oorlog die Amerika in alle opzichten terug op zichzelf heeft geworpen, en is door Bill Buford in een themanummer van het tijdschrift Granta 'Dirty Realism' gedoopt. Een term die misschien wel meer zegt over de afwerende houding van veel Europese intellectuelen ten aanzien van de naakte (ongewassen Amerikaanse) werkelijkheid dan over Carvers verbeelding van het leven van vrachtrijders, diensters, agenten, monteurs, huisvrouwen en werkloze vertegenwoordigers die hij literair stem heeft gegeven. Hun eigen stem, zoals die klinkt wanneer vrienden met elkaar praten en ruziën, of echtgenoten, buren, minnaars - tijdens gesprekken waarin wat er allemaal níet wordt gezegd het hardste aankomt. Door Carvers humane en melancholische ondertoon, zijn aan verering grenzende respect voor de taal (wanneer Carver, een beer van een vent, sprak, fluisterde hij), en het begrip dat hij zijn personages in hun ongelijke strijd om het bestaan betoont, is de na zijn dood ook door een Britse criticus gemaakte vergelijking met Tsjechov - wiens dood Carver in het laatste verhaal van zijn laatste bundel heeft beschreven - beter op zijn plaats.

De essentie van het werk van Raymond Carver moet niet gezocht worden in het anekdotische waar ook Altman te diep in blijft steken - waardoor Short Cuts teveel alleen maar het karakter van een 'soap' krijgt, zij het een 'soap made in heaven' - maar daar letterlijk buiten. Altman blijft eigenlijk de hele film lang in één van de dreigend boven L.A. hangende helicopters zitten waarmee hij, zoals hij in interviews heeft gezegd, 'één voor één de daken van de huizen licht om er naar binnen te kijken'. Omdat hij zo ontzettend veel moeite moet doen om het geheel een beetje overzichtelijk te houden - met zoveel verhaallijnen tegelijk is hij gedwongen een soort balletje-balletje met die daken te spelen - is er te weinig tijd om ergens te landen en met het dak dicht te laten zien hoe het voelt om te leven met het uitzicht van de mensen in Carvers wereld.

Net als in de schilderijen van Edward Hopper waarmee zijn werk qua sfeer vaak is vergeleken gaat het bij Carver niet om het tonen van de 'keerzijde van de Amerikaanse droom' maar om datgene waar die keerzijde op uitkijkt, en waar zijn personages op het cruciale moment in al zijn verhalen een glimp van opvangen - niet meer dan een glimp, het volledige panorama ineens zou dodelijk zijn, voor het personage én voor het verhaal. In 'Nightschool' leest de hoofdpersoon over iemand die tijdens een nachtmerrie droomt dat hij droomt en wakker wordt en een man voor zijn slaapkamerraam ziet staan. Verlamd van schrik moet hij toezien hoe de man de vliegenhor begint los te peuteren. Dan komt de maan vanachter een wolk vandaan en herkent de wakker geworden dromer de man die buiten staat. Het is zijn beste vriend, maar niet iemand die de man die de nachtmerrie heeft kent. 'Ja, er staat een groot kwaad voor de wereld te dringen,' denkt de man uit het titelverhaal van de bundel Will You Please Be Quiet Please, 'en het heeft maar een klein zetje nodig, een klein gaatje.'

Onze alledaagse werkelijkheid is een soort dunne sluier waarachter zich krachten verschuilen die ons niet goed gezind zijn en slechts een geschikt moment afwachten - tijdens een nachtelijk gesprek, een uit de hand lopend borreluurtje bij de buren, iemand aan de deur - om die sluier stuk te scheuren en ons te grazen te nemen. In de woorden van de man uit 'A Small Good Thing', misschien wel Carvers beroemdste verhaal, over een echtpaar dat vergeten is de verjaardagstaart van hun overreden zoontje op te halen of af te bestellen: 'krachten waarvan hij wist dat ze bestonden en die je kapot kunnen maken of op je bek laten vallen als je pech hebt, als de dingen zich plotseling tegen je keren.' De voornaamste reden dat Carver nooit een roman heeft geschreven is, naar zijn eigen zeggen, dat je daarvoor moet kunnen geloven in 'een wereld die een beetje logisch en stevig in elkaar zit' en niet elk moment in rook op kan gaan.

Het gevreesde 'kwaad' áchter de werkelijkheid is in ons leven werkzaam als een ontbindende factor en van enige gerechtigheid of zelfs redelijkheid is geen sprake. 'Een man in Seattle wint de loterij, terwijl zijn zuster in L.A. tegelijkertijd een baksteen op haar hoofd krijgt en sterft', legde Carver een keer uit, 'maar het één komt niet voort uit het ander: het is een en dezelfde gebeurtenis'. God is verdwenen, maar zijn ondoorgrondelijkheid is gebleven of, zoals Bruce Springsteen in de titelsong van zijn elpee Nebraska - die hetzelfde desolate menselijke terrein bestrijkt als veel van Carvers verhalen - een jonge moordenaar ter verklaring tegen de rechter laat zeggen 'well sir, I guess there's just a meanness in this world'.

Een van de mooiste, meest naakte openbaringen in het werk van Carver van de alomtegenwoordige ijzige onverschilligheid van het universum ten opzichte van ons moddergeworstel met onvervulde verlangens, onverwerkte verschrikkingen, ontoelaatbare bewijzen van onvermogen, onderdrukt geweld en morele ontbinding is het gedicht 'Winter Insomnia': 'The mind can't sleep, can only lie awake and / gorge, listening to the snow gather as / for some final assault.' Een andere doet zich voor in het verhaal 'The Student's Wife', waarin een jonge vrouw, ook na een slapeloze nacht - de toestand waarin we de meeste kans hebben een glimp van het monster achter de wereld op te vangen - de zon op ziet komen: 'Niet uit enig plaatje dat ze had gezien noch uit enig boek dat ze had gelezen, had ze begrepen dat een zonsopgang zoiets verschrikkelijks kon zijn.'

Het einde van Carvers verhalen is zelden bevrijdend: na wat korte schermutselingen en schijnbewegingen blijken de dingen er zo niet erger, in ieder geval niet veel beter op geworden. Meestal is er sprake van een ongemakkelijke patstelling met de krachten die het wankel evenwicht van ons leven bedreigen, zoals aan het slot van het titelverhaal van de bundel What We Talk About When We Talk About Love, een soort Who's Afraid of Virginia Woolf in een notedop: 'Ik kon mijn hart horen bonken. Ik kon ieders hart horen bonken. Ik kon ons het geluid horen maken dat mensen maken, zonder dat iemand bewoog, zelfs niet toen het in de kamer donker werd.'

De enige troost is dat het leven, wat er ook gebeurt - overspel, momenten van onvergeeflijke zwakte, ontslag, vernederingen, niets - gewoon doorgaat. Als we doodgaan verlegt het misschien heel even zijn bedding maar laat al vrij snel het gat dat wij achterlaten weer vollopen. Dat een schrale troost noemen doen alleen mensen die het zich - emotioneel, economisch en spiritueel - denken te kunnen veroorloven om zich niet aan elke, op het hellende vlak van hun leven aan zich voorbijschietende strohalm vast te klampen. Maar over dat soort mensen gaan de verhalen van Raymond Carver niet.

    • Roel Bentz van den Berg