Muziek is taal zonder vuil; Fictief dagboek van Bo Carpelan

Bo Carpelan: Axel. Roman. Vert. Karst Woudstra. Uitg. Meulenhoff, 409 blz. Prijs ƒ 49,50.

Hoe dwingend moet de plot van een roman zijn? Moeten alle gebeurtenissen naar elkaar verwijzen en samenhang vertonen, in elkaar grijpen als radertjes zodat de roman net een geoliede machinerie is die, eenmaal door de schrijver aangezwengeld, moeiteloos tot aan de slotalinea voortjaagt? Of mogen er in een roman ook fictieve dode mussen voorkomen die, zonder dat dit gevolgen heeft binnen de wereld van het boek, bij bosjes van de dakgoot tuimelen?

Het bestaan zelf biedt natuurlijk de sterkste plot, een oerplot. Geboorte en dood, verder niets bijzonders. Die ontwikkeling van het een naar het ander voltrekt zich geleidelijk; het leven is gewoon een kluwen draad die wordt afgerold. De Finse auteur Bo Carpelan (Helsinki, 1926) schreef met Axel een roman die ogenschijnlijk geen hechte structuur heeft. Hij begint in de vroege jeugd van de hoofdpersoon en eindigt met de grafrede voor hem.

De roman behelst onder andere het dagboek dat de titelheld bijhoudt tussen 1868 en 1919, het jaar van zijn dood. Held is feitelijk een veel te krachtig woord om de man Axel te kenschetsen; hij is eerder een anti-held, een Grübler, een intens zelfwaarnemer die met de briljante macht die hij over de taal bezit eindeloze gevoelsnuances weet weer te geven.

Axel heeft dezelfde achternaam als de auteur. Het dagboek zegt Bo Carpelan geheel verzonnen te hebben op grond van enkele summiere biografische gegevens: Axel was de broer van zijn grootvader, die tot de intieme vriendenkring van de componist Jean Sibelius behoorde. In biografieën over de laatste zijn brieven van Axel Carpelan opgenomen, die voor de latere auteur het beeld hebben gevormd. Het geheel heeft iets weg van het beproefde, negentiende-eeuwse recept van 'roman op zolder gevonden' of 'roman uit de schoenendoos van grootvader'. Mystificaties die het uiteindelijke boek heel mooi laten zweven tussen verdichtsel en waarheid.

Balling

Axel is musicus en componist, maar door zijn mateloze bewondering voor Sibelius leidt zijn eigen werk een schimmig bestaan. Dagboekaantekening na dagboekaantekening lezen we over Axels worsteling met de wereld, of anders gezegd: zijn worsteling met zichzelf omdat het voor hem onmogelijk is tot de wereld in te gaan. Hij is een uitgestotene, een balling. Bovendien lijdt hij aan een ongeneeslijke ziekte, die we pas op een van de allerlaatste bladzijden verwoord krijgen. Pancreatitis, ofwel de buitengewoon zeldzame ontsteking van de buikholteslijmklier die eindigt met de dood door verdroging en honger. Voorwaar, geen vrolijk vooruitzicht.

Voor de lezer is het niet echt noodzakelijk van de diagnose op de hoogte te zijn; het beviel mij wel het lijden van de man als een onophoudelijke aanval van melancholie en levensonmacht te zien. Te meer daar ik in de loop van het vuistdikke boek steeds meer de ironie van het geval Axel ging beseffen: Molières Le Malade imaginaire in dagboekvorm.

Een roman waarin 'niets gebeurt', een werk dus opgebouwd uit beschrijvingen en bespiegelingen, herinneringen en overwegingen, moet geschraagd worden door de taal. Dat gebeurt in Axel op verbluffende wijze. Bij nadere beschouwing is er ook in structureel opzicht veel te genieten. Zo is er een voortdurend stuivertje wisselen tussen de belevenissen die Axel meemaakt en toevertrouwd aan zijn dagboek, vanzelfsprekend gesteld in de ik-vorm, en de weergave daarvan in de hij-vorm, dus de dagboekschrijver betrapt als romanpersonage. De openingsscène geeft dat verschil in ervaring weer. De jonge Axel staat gebogen over een van hongersnood en winterse koude omgekomen vrouw. “De dode vrouw ligt met haar ogen half gesloten, in haar gebalde vuist het touw van het sleetje met twee zwijgende dekenbundels. Of jammeren ze? (-) Zijn ogen onder zijn grofgebreide muts bekijken bijziend iets onbekends, oerouds, iets dat hij nooit eerder heeft gezien maar waar hij al die tijd op heeft gewacht, iets dat altijd al deel uitmaakte van zijn leven.' Axels eigen entree in zijn journaal een dag later gaat dan als volgt: “Hun ogen zijn knopen die op hun gezichten zijn genaaid waar de sneeuw op valt. Het ene kindje ging dood van de honger en de kou.' Onder de zwijgende dekenbundels die misschien wel 'jammeren' blijken dus kindjes schuil te gaan. Dit zijn verrassende, spannende ontdekkingen. Bij een detective is men gefascineerd door de wendingen in de plot; hier raak ik gefascineerd door de stilistische verknoping van motieven. Op dit niveau leest Axel als een gedicht, of, zo men wil, een muziekstuk. Wat er staat verwijst meer naar zichzelf dan dat het een natuurgetrouwe weerspiegeling van de buitenwereld wil zijn.

Verzoenende zon

Hoewel Axel musicus is, schittert hij door zijn observaties en vooral door de stijl waarin hij die verwoordt. Zijn extreme introvertie spoort de lezer ertoe aan de nauwelijks ontgonnen gebieden van zijn eigen gemoedsleven te analyseren. Maar dan zonder zelfmedelijden. Axel wisselt gedurig van toonzetting. Vol melancholie herinnert hij zich zijn kinderjaren waarin boven de stranden een 'alles verzoenende zon' stond; het water was 'ruimer' en de stenen allemaal 'vertrouwd en voor altijd verdwenen'. Een andere dag vergelijkt hij zich met een 'boekhouder tussen bordeelmeisjes'. Elders filosofeert hij over muziek: “Misschien is de muziek wel de taal die is gezuiverd van alle vuil en is veranderd in geluidsgolven met een betekenis, direct en helder, voor wie waarachtig luistert.' Op 23 december 1896 vraagt hij zich af waarop de gebeurtenissen van het leven duiden, en het antwoord luidt even doeltreffend als ontgoochelend: “Nergens op.'

Vertaler Karst Woudstra weet dit poëtische proza prachtig te treffen. Een regel als 'de wind ging thuisloos door de bomen' zou in geen enkel gedicht misstaan. Het beeld klopt precies; het is een heldere typering van de rusteloosheid van de wind.

Zo'n notitie zegt iets over de wind, maar meer nog over Axel Carpelan zelf. Hij is een rusteloze zoeker naar waarheid en innerlijke rust. In de muziek van Jean Sibelius probeert hij de zin van het bestaan te ontdekken, om er steeds meer achter te komen dat er nauwelijks een zin bestaat, alleen maar de onophoudelijke afwisseling van 'licht en duisternis', van 'afscheid en verlangen'. Axel roept in het eerste deel van de roman de 'goede God' aan om vrede te vinden; in het tweede deel vindt hij die dankzij Sibelius' muziek, die zowel de verklanking van het verdriet is als de overwinning daarop.

Zoals muziek uiteindelijk gaat over onuitsprekelijke zaken als onvervuld verlangen, melancholie om de kindertijd die voorbij is, zo gaat ook Axel over deze bijna onbenoembare zaken van de ziel, die, zodra je ze in woorden zou willen vastleggen, net tussen je vingertoppen vandaan zijn geglipt. 'Er gaat een donkere onderstroom door het leven van een mens,' schrijft Axel Carpelan, 'die bij de geboorte ontspringt en alles kleurt en langzaam groeit ons inzicht daarin'. Dat inzicht vereist nauwgezette concentratie en een bijna roekeloze, egoïstische overgave aan het eigen gemoedsleven. De overweldigende kwaliteit van Axel is dat de donkerte van het bestaan telkens opnieuw transparant en licht wordt gemaakt.

    • Kester Freriks