Moord op een vogeltje; Tweede roman van Nina Bouraoui

Nina Bouraoui: Dode Vuist. Vert. Jan Versteeg. Uitg. De Geus-EPO, 109 blz. Prijs ƒ 29,90.

'Een goede psychiater heeft ze nodig, er is vast nog iets aan te doen,' was mijn eerste reactie op Nina Bouraoui's hoofdpersoon, en dat is een slecht teken. Talloze personages uit de romanliteratuur zijn ernstig gestoord, maar een goede schrijver kan de lezer laten geloven dat ze zo móeten zijn. Daarin is Bouraoui niet geslaagd.

De heldin van Dode Vuist is de bewaakster van een kerkhof: een necrofiele jonge vrouw die zich thuis voelt bij lijken en geniet van alles wat dood en verrotting is. Om een onduidelijke reden - waarom wil dit mensenschuwe wezen tegen ons praten? - voelt ze de behoefte beurtelings uit te leggen wat zij op het kerkhof meemaakt en te vertellen hoe ze als kind was. Van jongs af aan heeft ze zich verlustigd in het slechte. Ze zag graag ongelukken en ze verminkte en aborteerde haar poppen die ze eerst had kaalgeschoren. Dieren martelde ze ook dood, lekker langzaam en genietend van alle stadia, en zelfs de lijkjes liet ze niet met rust. Haar schooltijd culmineerde in een geveinsde vriendschap voor haar klasgenootje Ada, dat zij vervolgens bijna achteloos vermoordde. Ada is de enige andere persoon die gestalte krijgt. Afstotelijk maar vitaal is zij de tegenhanger van de naamloze hoofdpersoon: het leven zelf, dat uit de weg geruimd moet worden.

Hoe is de heldin zo geworden? Ouders komen niet ter sprake, wel een nare school, maar die krijgt terecht niet de schuld. Haar boosaardigheid en moedwillige onvruchtbaarheid komen, als we haar zelf moeten geloven, geheel uit haar eigen wil voort. Kritiek wimpelt ze bij voorbaat af door te zeggen dat zij niet morbide is, maar zich al vroeg bewust was van haar eindigheid. Dat klinkt diepzinnig, maar is als verklaring voor al dat gemok niet geloofwaardig. Elders zegt ze: “Morbide is niet het goede woord. Je kunt het een afwijking noemen. Ik heb voor het andere kamp gekozen, dat van degenen die dood liggen. Geen blik meer die me beoordeelt, geen stem meer die me bevelen geeft.” Dat laatste is alles wat misschien verwijst naar een ouderlijk huis. Die afwijking lijkt vooral te berusten op de verwerping van de eigen lichamelijkheid; ze weigert haar puberteit te aanvaarden en blijft steken in onrijpheid. “Ik besloot niet verder te groeien.” Non had ze misschien nog kunnen worden, maar daarvoor vindt ze zichzelf veel te slecht.

Dode Vuist als geheel vind ik niet boeiend, niet grappig, niet leerzaam en niet schokkend. En dat ondanks de formidabele pen en 'cameravoering' waarover de auteur beschikt. In details is zij goed: als zij vanuit het standpunt van een klein meisje omhoog kijkt langs het lichaam van een straffende onderwijzeres, of als zij van nabij de vliegen op een lijk bestudeert, doet zij dat weergaloos, en de moord op het vogeltje is een hoogtepunt van beschrijfkunst.

Bouraoui's eerste boek, De Gluurster, was verbluffend en wondermooi. De wilde woede van het mishandelde kind was authentiek en, onbedoeld, ook ergens goed voor: om de ogen van vele moslim-meisjes en -vrouwen te openen voor hun situatie. In Dode Vuist is de woede verzand in een delectatio morosa waar niemand iets aan heeft. De auteur heeft haar kruitvoorraad in haar debuut verschoten en moet eerst maar eens iets anders gaan doen.

    • Wim Raven