Kippevel wordt wakker; Josien Laurier en het kleine leed

Josien Laurier: Het zal de liefde wel zijn. Uitg. Arena, 175 blz. Prijs ƒ 36,90

De twee romans die Josien Laurier heeft gepubliceerd, zijn om één reden opvallend. De onbevangenheid waarmee de schrijfster haar thema's en woorden kiest, is bijna verbijsterend. Laurier schrijft alsof nog nooit iemand voor haar geschreven heeft. In haar debuut Een hemels meisje beleefde God Zijn come-back in een theologisch wel erg kinderlijke gedaante. En schrijvend over de liefde, belichaamd door ene gitaarspelende Eddie, repte Laurier zonder ironie van 'iets hogers' en 'iets mooiers'.

De roman ging over de claustrofobische wereld van de 16-jarige Marianne, die, de hulp van God inroepend, vergeefs probeerde te ontsnappen uit het benauwde religieuze milieu waarin ze leefde. Enige naïveteit was, gezien de hoofdpersoon, dus op z'n plaats. Maar Laurier dweepte met haar Marianne. Deels gebeurde dat in het jargon van de damesroman, deels in een opgewonden orakeltaal die literaire ambities verraadde. “Blauw water. We zullen je erg missen. Uit de zee! Zijn bas uit de verre diepe zwarte zee! We zullen, voor het allerlaatst! En het is nu pas dat je het ziet! voor je bidden.”

Het resultaat was een hybride roman: huilerig, literatuurderig proza voor de gevorderde bakvis. De titel van Lauriers nieuwe boek verraadt al dat er sinds Een hemels meisje niet veel veranderd is. Het mist weliswaar het binnenhuis-realisme van het debuut en God komen we niet meer tegen. Het benauwde wereldje van Een hemels meisje is in Het zal de liefde wel zijn volledig verinnerlijkt. De 21-jarige Sophie, een soort Marianne op kamers, zit opgesloten in zichzelf, niet meer in een intolerant milieu.

Maar de overeenkomsten zijn talrijker dan de verschillen. Net als in Een hemels meisje mislukt in Het zal de liefde wel zijn de poging die de hoofdpersoon doet om uit te breken. Ook wordt van de lezer opnieuw gevraagd dat hij zich totaal met de hoofdperson identificeert. En wéér gaat het om identificatie met erg klein leed: het is uit tussen Sophie en haar grote liefde Roy.

Apathisch

De roman volgt Sophie een dag en een nacht. Overdag hangt ze apathisch thuis ('ze begon aan de voorbereidingen voor de tweede beker koffie'), 's nachts probeert ze haar verdriet te vergeten met een jongen, Mischa, die haar in de kroeg heeft benaderd. Ze bevindt zich, heet 't ergens, 'op een kruispunt dat haar gek maakt'. Millimeter voor millimeter brengt Laurier in kaart wat zich in Sophies geest afspeelt. Of, om een lievelingswoord van de auteur te gebruiken, hoe Sophie zich 'voelt'.

Sophie voelt zich zo: “Roy. Hoe lang is het geleden dat ze hem sprak? Roy! In haar ene oog vormt zich een traan.”

“Roy, denkt ze, met een dichte, rode mist voor haar ogen, Roy, ik mis je zo afgrijselijk. Ze voelt zich niet bij Mischa. Ze voelt zich schrijnend alleen.” Net als in Een hemels meisje wordt dit aan triviale lectuur ontleende jargon afgewisseld met meer 'literaire' stijlmiddelen. Vooral op de personificatie is Laurier dol. Kippevel 'wordt wakker' en bloemen hebben 'hulpeloze gele hartjes'. Soms leiden die pogingen om gevoelvol over te komen tot dwaasheden: “Ze voelt haar borstbeen in het midden van haar lichaam” - waar zou ze het anders moeten voelen? Ergens anders is zelfs sprake van 'een voorgoed gordijn'.

Werkelijk elke zin komt, ook als hij geen dwaasheden bevat, als een natte spons op je af. Als je Lauriers aanpak dan afweegt tegen het onderwerp van de roman - een beetje liefdesverdriet - kun je alleen maar concluderen dat alledaags leed hier de proporties krijgt toebedeeld van een uniek Tragisch Lot. Josien Laurier weet, met andere woorden, geen maat te houden: ze dweept. Dat mag natuurlijk, maar met literatuur heeft het weinig te maken.

    • Gertjan van Schoonhoven