Karakter

's Nachts ligt Rekel op de overloop, meestal in zijn mand, soms ernaast. Soms, meestal in het weekend, kijkt hij toe hoe iemand, die het laat heeft gemaakt, in het donker naar boven komt. Dan kwispelt hij behoedzaam met zijn staart. Tot er op zijn poten wordt getrapt.

Of in het vrije veld, als je over je rechterschouder kijkt, terwijl hij je juist links is gepasseerd. Hè, waar blijft die hond! Je roept, je fluit, en hij die vóór je loopt, blijft gehoorzaam staan. Zodat je over hem struikelt.

Of in de tuin, als je met een tafeltje loopt te sjouwen - dat dat stomme beest dan precies daar gaat zitten waar je hem niet in de gaten hebt.

Hij reageert met een woedende snauw en een bijtende beweging. Vervolgens komt hij met z'n voorpoten tegen je opstaan. Hij gromt. Hij gromt verschrikkelijk. Hij siddert van het grommen. Hij haalt schokkend adem en zet dat grommen voort.

'Ja rustig maar, ik deed het niet expres, het was per ongeluk, ik zag je niet.'

Maar daar heeft hij geen boodschap aan. Voor hem is het verraad. Je hebt hem op zijn ziel getrapt. Hij is niet zo groot. Hij leeft nogal dicht bij de grond. Hij heeft geleerd om op zijn strepen te staan. Voor alle zekerheid neemt hij altijd boze opzet aan.

Ik heb het zelf ook weleens. Dat je bij de tandarts zit. Dat je je vuisten balt om terug te slaan.