Jarige ILO zoekt consensus voor nieuwe arbeidsverdragen

DEN HAAG, 22 APRIL. Een beter cadeau dan een grondige herbezinning op doelstelling en werkwijze kan de 75-jarige Internationale arbeidsorganisatie (ILO, volgens de Engelse afkorting) van de Verenigde Naties zich niet wensen. Daarover waren de deelnemers aan de Nederlandse viering van de ILO-verjaardag het gisteren in Den Haag vlot eens.

Het gaat veel te ver om te beweren dat de relatief onbekende VN-organisatie in een crisis verkeert. Maar de in Genève gevestigde ILO heeft het niet gemakkelijk, zeker niet na de ineenstorting van de Oosteuropese staatseconomieën. Steeds vaker valt de stelling te beluisteren dat de vrije markt het verder wel opknapt en dat de bevordering van sociale rechtvaardigheid geen expliciete ondersteuning van internationale arbeidsverdragen meer behoeft.

Vijfenzeventig jaar geleden (in 1919) vormde het streven naar wereldwijde sociale rechtvaardigheid de voornaamste drijfveer voor de oprichting van de ILO in het Verdrag van Versailles. Internationale conventies over minimum-normen voor arbeidsvoorwaarden, arbeidsomstandigheden, veiligheid, sociale zekerheid - overeengekomen door werkgevers, werknemers en regeringen - werden gezien als geschikt middel om (nieuwe) oorlogen te voorkomen. In de loop der jaren zijn zo 174 conventies ontstaan, waarvan Nederland er 94 heeft bekrachtigd.

De afgelopen jaren is meer en meer twijfel gerezen over de effectiviteit van deze aanpak. Niet alleen omdat oorlogen ook andere achtergronden hadden (vreemdelingenhaat, fundamentalisme), maar ook omdat de ILO-conventies een zodanige graad van verzadiging en detaillering bereikten, dat de vraag rees of zij hun doel niet voorbijschoten, zoals de Leidse hoogleraar sociaal recht dr. M.G. Rood gisteren op de bijeenkomst aanstipte. Hij is als gedelegeerde van de Nederlandse regering al jaren nauw betrokken bij het ILO-werk.

Kritiek op het functioneren van de ILO had ook voorzitter dr. A.H.G Rinnooy Kan van het Verbond van Nederlandse Ondernemingen (VNO). Er zijn volgens hem nogal wat ILO-conventies waarin “te kwistig en te onvoorzichtig gebruik is gemaakt van sociale normstelling” zonder dat de opstellers ervan zich hebben gerealiseerd dat daardoor de economische ontwikkeling kan worden gefrustreerd. De (vergeefse) druk van de Verenigde Staten en de Europese Unie om een 'sociale paragraaf' toe te voegen aan het vorige week in Marrakesj ondertekende GATT-verdrag over verdere liberalisering van de wereldhandel plaatste de VNO-voorman in deze context. “Wanneer de Europese Unie, zoals thans het geval is, tracht te bewerkstelligen dat de sociale normstelling door de ILO ten minste van hetzelfde gehalte is als het sociale beleid van de Unie, kan ik mij zeer goed voorstellen dat ontwikkelingslanden niet gediend zijn van dit paternalisme, om niet te spreken van sociaal neo-kolonialisme”.

Rinnooy Kans pleidooi voor deregulering en revisie van de ILO-verdragen werd met “verbaasdheid” en “bezorgdheid” aangehoord door voorzitter J. Stekelenburg van de vakcentrale FNV. Volgens hem kan voortgaande sociale norm-stelling via ILO-conventies juist een belangrijke rol spelen in een meer duurzame ontwikkeling van de wereldeconomie.

Daarentegen pleitte ook minister De Vries van sociale zaken voor “terughoudendheid” bij de ontwikkeling van nieuwe normen. Hij betoonde zich voorstander van een zwaarder accent op de naleving van de bestaande arbeidsverdragen. Daarvan kan volgens hem een heilzame werking uitgaan in een globaliserende wereldeconomie met een toenemend risico van oneerlijke concurrentie.

3) Erik Hanse, Olifantsgras, het gewas voor de toekomst, scriptie.