In mijn atelier ben ik een moedig man; Romantisch idealist Wally Elenbaas over communisme en schilderen

Schilder en fotograaf Wally Elenbaas, gisteren 82 jaar geworden, woont met zijn vrouw Esther op een schiereiland in de Rotterdamse haven. Het is een plek waar zij kunnen leven zoals ze dat wensen: als eenlingen tussen onbekenden. “Niet dat wij geen contacten willen leggen, maar van nature zijn wij daar niet op uit.” Op bezoek bij een romantisch idealist.

Wally en Esther Elenbaas zijn met Katendrecht vergroeid. Meer dan een halve eeuw geleden, het was toen middenin de oorlog, zochten zij in dit havenkwartier een veilig heenkomen. Het rosse uitgaanscentrum veranderde sindsdien in een gerenoveerde woonwijk, maar rond hun donkerbruine huis bleef veel hetzelfde. De met boeken volgepakte kamers kijken nog altijd uit op een meelfabriek, de rivier en de torens van Rotterdam, een panorama dat de 82-jarige kunstenaar en zijn vrouw levenslust geeft.

“Zittend achter mijn werktafel zie ik de hele stad, ik zou niet weten wat ik meer moet wensen,” stelt Elenbaas. “Ook verder is er weinig reden tot klagen. We hebben hier een goede lichtinval, een nette slaapkamer en een douche, de vloerbedekking is pas vernieuwd en met z'n tweeën houden wij het huishouden overeind. Natuurlijk zijn er ook een paar minpunten. Ik mis een oog, mijn rug is zeer pijnlijk en ik heb een meniscus, maar die dingen zeggen niet veel. Men moet mij niet beschouwen als een oude man, daar is geen enkele reden voor. Mijn werk wordt tentoongesteld en verkocht, ik lever produkten af die dienen als handelswaar. In allerlei opzichten ben ik in de kracht van mijn leven.”

Een belangrijke stimulans vormt de belangstelling die Elenbaas de laatste tijd krijgt. De aandacht gaat uit naar zijn schilderijen en grafiek, maar ook naar de foto's die hij voor de oorlog maakte als lid van een Rotterdamse groep constructivisten. Een artikel in het blad Metropolis M over zijn invloed als 'arbeidersfotograaf' toont enkele voorbeelden: de gehavende hand van een jonge arbeider, een straat met een omgetrokken lantaarnpaal na een volksoproer, een zelfportret van Elenbaas als een markante jongeman die, naar hij dacht, meisjes alleen voor zich kon winnen door veel met ze te praten. Ingenomen toont hij zich vooral met een foto van de Delftse Poort waarop de woorden 'Fascisme is moord' zijn aangebracht. “Samen met een paar andere mensen had ik die leus even tevoren op de muur geschilderd. Op de zwarte natuursteen kwamen de witte letters mooi uit, dat gaf een prettig gevoel. Voor alle zekerheid was de kalk gemengd met wat carbid, op die manier zou de tekst goed invreten en lang zichtbaar blijven.”

Een paar jaar eerder had Elenbaas zich aangemeld bij de communistische jeugdbond. Deze stap kwam voort uit ongeregeldheden waar hij in de loop van 1930 toevallig bij betrokken was geraakt. “Verzonken in mezelf, het hoofd vol gedachten, kwam ik op straat terecht tussen oproerige stakers. Binnen enkele minuten stond ik voor politieagenten die me, omdat ik hun kant op was gelopen, een verschrikkelijke klap op de kop gaven. Toen ik twee dagen later weer bij bewustzijn was, sloot ik me aan bij de jeugdbond. 'Wij van het proletariaat', zoals we ons noemden, hadden het druk met affiches plakken, stakingen voorbereiden en allerlei andere vormen van agitprop. Het was niet ongezellig, ja zelfs romantisch, maar we hielden er strenge opvattingen op na. Poëzie bijvoorbeeld, vonden we maar burgerlijk, dus het lag voor de hand om alle dichtbundels die ik had verzameld weg te geven. Maar na een tijdje kwamen er sporen van twijfel die geleidelijk sterker werden. Lopend van Scheveningen naar Hoek van Holland werd het me op een avond duidelijk dat ik in deze beweging niet op mijn plaats was, dat ik niet iemand ben die het voortouw neemt. De volgende dag zegde ik mijn lidmaatschap op en snel daarna verschenen nieuwe dichtbundels in de kast. In 1938, na de stalinistische processen, brak ik met het communisme.”

Rekstok

Voor Wally Elenbaas vormt de literatuur al meer dan zestig jaar een bron van inspiratie. Die ontdekte hij dank zij een oudere broer, de intellectueel van de familie die hem al vroeg in contact bracht met Kafka, Gide, Slauerhoff en andere schrijvers. Hun werk gaf Valdemar Hansen, zoals Wally's officiële naam luidt, een nieuwe kijk op het leven. Als een na jongste zoon uit een gezin van negen kinderen leidde hij tot dan toe een teruggetrokken bestaan. “Dat kwam misschien doordat ik een tijdlang tbc had. Na een kuur van twee jaar was ik zo zwak, dat ik aan de rekstok mijn eigen gewicht niet kon tillen. Fietsen en voetballen waren taboe, ik mocht alleen maar wandelen. Daarmee plaatste ik mezelf buiten de groep en werd ik eenzaam. Ook met het leren ging het mis. Om te ontkomen aan de armoe van zijn jeugd hechtte mijn vader aan opleidingen, maar zelf liet ik het er bij zitten. De lust tot mislukken kreeg de overhand.”

Maar de boeken van zijn broer en de bijdragen van Marsman en Nijhoff in de toenmalige NRC zorgden tijdig voor tegenwicht. In 1929, het jaar dat Elenbaas ontslag kreeg als jongste bediende bij een graanimporteur, kocht hij Tucholsky's Deutschland, Deutschland über alles!, een antifascistische satire die op de zeventienjarige lezer grote indruk maakte. In de communistische jeugdbond ontmoette hij datzelfde jaar Jef Last, die hem in contact bracht met geestverwanten als Wout van Heusden, Paul Schuitema en Henk de Vos. Samen vormden zij een 'arbeiders-collectief' dat zich in het blad Links Richten eensgezind afzette tegen de 'door en door corrupte kapitalistische maatschappij die, de hemel zij dank, op haar laatste kreupele poten loopt'. Niettemin viel het collectief uiteen, waarna een deel van de leden zijn heil zocht in de kunstenaarsgroep R33. Ook hier gold kunst als een wapen in de klassenstrijd: 'het leven der stervelingen' wordt gelukkiger als 'de schoonheid van de ons omringende schepping' meer aandacht krijgt, zo was de gedachte.

In deze periode werd de kiem gelegd voor een levenshouding waarin radicalisme en hooggestemde ideeën om de voorrang streden. Gaandeweg groeide zo het besef dat het goed was een andere weg in te slaan. “Je had in die tijd een simpele redenering: wie als kantoorbediende in leven probeerde te blijven, kon maar beter honger lijden als kunstenaar. Hij die daarvoor koos was een held. Zo iemand getuigde van moed en zou iets tot stand brengen. Maar terugkijkend moet ik zeggen dat ik vooral geluk heb gehad, veel geluk. Zeker de laatste jaren gaan de mensen zachtzinnig met me om. Zij doen je bijna vergeten dat er een boze buitenwereld bestaat.”

Een grote rol speelde aanvankelijk schilder en typograaf Dick Elffers, een speelse en inventieve geest die als een van de eersten een alternatief bood voor de rigiditeit van de Nieuwe Zakelijkheid. Elenbaas mocht een serie foto's exposeren op een tentoonstelling van Elffers' werk en fungeerde zelfs een tijdlang als zijn assistent. Later verhuisde hij naar Amsterdam, waar zijn vriendin Esther Hartog een baan had als telefoniste. Daar ontstond een hechte vriendschap met Metten Koornstra en zijn vrouw Rita Dalvano, een violiste die aan het hoofd stond van een damesorkestje. “Als zij speelde op de Amati, een cadeau van Van Beuningen, was in de zaal goed te zien hoe mooi haar rug was”, herinnert Elenbaas zich met weemoed. “Wij hadden toen weinig geld, maar het waren rijke jaren met een intense romantiek. Als Esther om middernacht klaar was met haar werk gingen we Rita halen bij Heck's en daarna met z'n vieren verder de stad in. Met feestvierders en voddenrapers dronken we dan om drie uur 's ochtends koffie bij het Waterlooplein. In de winter aten we voor tien cent bij de gaarkeuken, zodat we in het voorjaar geld zouden hebben om op reis te gaan. Want dat hebben wij altijd het mooiste gevonden: rondtrekken door een land waar je, als eenlingen tussen onbekenden, een eiland vormt. Niet dat Esther en ik geen contacten willen leggen, maar van nature zijn wij daar niet op uit. Ik denk dat we wat te veel in onszelf zijn gekeerd.”

Terwijl zijn vrouw in een belendende kamer is verdiept in een boek, bladert Elenbaas in albums met foto's van vooroorlogse reizen. Een is gewijd aan Parijs: een diffuus belicht straattafereel, een portret van Esther in een hotelbed, de Folies-Bergère, Dubonnet, een pakje Gauloises - een reeks met zorg gearrangeerde herinneringen aan avontuurlijke dagen. De jaren erna volgden zwerftochten naar het gebied rond de Middellandse Zee, waar Elenbaas werd geraakt door de verlokkingen van 'het zuiden': het blauw, de heldere luchten, de olijfbomen, de gesloten huizen in de zon. De invloeden daarvan vormen een intrigerend contrast met de sfeer van pijn, onrust en dreiging die zijn werk later zou gaan bepalen.

In 1939 woonden Esther en Wally Elenbaas met het echtpaar Koornstra vijf maanden op Corsica, waar zij de beschikking hadden over een boerderijtje met vier stoelen, een tafel en twee bedden. Het was een heerlijke tijd waarover op een gegeven ogenblik een schaduw viel. “Toen we na een wandeling door de bergen een café binnenkwamen, hoorden we dat Praag door Hitler was ingenomen. 'Nu is het mis, er komt oorlog', zei een boer en het was duidelijk dat hij gelijk had. We maakten ons geen illusie over wat er stond te gebeuren.”

Razzia

Terwijl zijn vrouw aan de eettafel doorleest, praat Elenbaas geëmotioneerd over de bezettingsjaren. Hij vertelt hoe Esther zich inzette om zeven joodse kinderen in veiligheid te brengen en hoe hij later hetzelfde trachtte te doen voor haar: eerst in Spangen, toen in Scheveningen en daarna in Amsterdam waar zij, 'op zoek naar een adres voor een paar dagen', tijdens een razzia nog net op een rijdende tram konden springen.

Ten slotte zocht Esther, het onderduiken beu, in 1944 met haar man een toevlucht op Katendrecht, een voor de Duitsers min of meer verboden gebied. “De schilder Dolf Henkes vond voor ons een huis waarop een brandbom was gevallen. De bom was niet geëxplodeerd, dus dat leek een goed voorteken. Voor de kapotte ruiten zaten planken, maar gelukkig stond er een kacheltje. Daarin stookten we marxistische lectuur, dat brandde uitstekend. Ook voedsel vormde geen probleem. Met de handige jongens uit de buurt mocht ik weleens mee op rooftochten in de haven. In roeiboten gingen we dan naar een vrieshuis, waar we de bewaker dronken voerden en vervolgens een cel vol vlees leeghaalden. De volgende dagen rook het dan op heel Katendrecht naar gebakken spek.”

In de laatste oorlogswinter bekwaamde hij zichzelf verder als schilder. “Esther vond dat belangrijk. 'Als je doorgaat in deze richting kunnen we straks een vrij en onafhankelijk leven leiden', zei ze. Op stukken triplex en vele meters papier ben ik aan de gang gegaan, steeds maar weer opnieuw. Die kans durfde ik mezelf wel te geven. In bepaalde situaties voel ik angst, maar in mijn atelier ben ik een moedig man. Daar heb ik met niemand wat te maken, daar gelden alleen mijn eigen regels.”

Kort voor de bevrijding maakte Elenbaas troosteloze landschappen, de jaren erna een serie litho's met titels als Het puin, De gefusilleerden en Onderduikers. Het succes was onverwacht groot. Op zijn werkplaats in Ons Huis, later herdoopt in 't Venster, kreeg hij bezoek van Sandberg en Ebbinge Wubben, die voor het Stedelijk Museum en Boymans werk van hem aankochten. Anderen volgden: “Opeens wilden verzamelaars een Elenbaas aan de muur hebben, dat was een vreemde sensatie. Hieruit bleek dat een kunstenaar zich niet hoeft aan te passen aan wat op dat moment gangbaar is, maar zijn eigen weg kan volgen. De stijl waarin ik werk sluit nergens echt op aan, het enige woord dat ik ervoor weet is onnavolgbaar.”

Pervers

Vanaf 1948 vormen de veerman en de veerboot met zijn kruismast een veel voorkomend thema. Als inspiratie diende het bootje dat Katendrecht met de stad verbond, maar op de prenten kreeg de rivier voor zijn huis het aanschijn van de Lethe waarover Charon de schimmen der gestorvenen voert. Allengs ontstonden zo de contouren van een tussenwereld, een bar oord waar volgens een Engelse criticus de mens blootstaat aan ondoorgrondelijke gevaren. Elenbaas heeft daar weinig aan toe te voegen. “Voor een verklaring moet je misschien bij een Freudiaan zijn. Ik kan alleen zeggen dat ik me verbonden voel met de macabere kant van Dali. Ook is er soms sprake van, het is gek om dat zelf op te merken, een neiging tot perverse seksualiteit. Maar vaker gaat het om dromen, herinneringen en verwijzingen naar dichtvormen.” Ter illustratie laat hij de Ballade van de koorddanser zien, een serie litho's van een figuur die hoog boven een dorp de vrijheid voelt, dan in de afgrond stort en ten slotte door de wind wordt opgetild.

In de jaren vijftig en zestig maakte Elenbaas een reeks monumentale mozaïek- en grafitto-wanden voor de Rotterdamse Beurs, het Provinciehuis in Arnhem en bedrijven als Unilever en Philips. Tussendoor ging hij door met lithograferen, maar na verloop van tijd werd het werken met een steen van vijftig kilo hem te zwaar. Als alternatief koos hij de zeefdruk, een voor hem nieuwe techniek die hij zich op een primitieve installatie eigen maakte. Zijn prenten van slagvelden en verkrampte gezichten weerspiegelden zijn neerslachtigheid in een, om persoonlijke redenen, moeilijke levensperiode. Later kwam er meer kleur in zijn voorstellingen, maar dat hoefde niet te betekenen dat de tendens vrolijker werd. Een serie uit 1981, De zee en andere verhalen, noemt hij 'de inleiding tot het einde': een eiland in de verte vervaagt steeds meer tot het, als ook het laatste gesprek is gevoerd, oplost in de nevel. “Daarmee is de illusie verloren. Het enige dat overblijft is de horizon.”

Zelf vindt hij houvast bij zijn vrouw. “Ik ben niet altijd trouw geweest, maar zonder haar gaat het niet. Het woord liefde is uitgehold en betekent weinig, liever zeg ik daarom dat ik aan Esther ben verknocht.” Hiervan getuigt zijn meest persoonlijke werkstuk, een dik boek vol foto's die hij, als het licht maar even goed was, in de loop der jaren van haar maakte. “Achteraf bezien zijn wij tweeën eigenlijk overbodig geweest,” zegt Elenbaas, het boek opbergend. “Beiden komen wij voort uit grote gezinnen waar we niet onmisbaar waren. Toch overheerst nu een gevoel van tevredenheid. Ons leven was niet groots en niet grandioos, maar wel compleet.”

    • Paul Hellmann